zaterdag 25 juni 2011

Meneer Beer is een populair man

"Zo, meneer Beer, u kunt er weer tegenaan." zei dokter Blobvis tegen meneer Beer. Meneer Beer was nu klaar met het laatste onderzoek van dokter Blobvis, na het herstel van zijn ontvoeringsavontuur.
"Dankuwel, dokter Blobvis. Dan kan ik nu naar de rechtbank gaan."
"Dat is goed, meneer Beer. Ik wens u veel succes."
"Bedankt, dokter Blobvis." zei meneer Beer, terwijl hij zijn stropdas opnieuw rondom zijn hals bevestigde. Na het schudden van elkaars handen stapte meneer Beer uit de praktijk van dokter Blobvis en zette hij koers in de richting van het gerechtsgebouw. Na enkele meters te hebben gelopen kwam meneer Beer de bakker tegen, meneer Papegaai.
"Goedemorgen, meneer Papegaai." zei meneer Beer.
"Goedemorgen, meneer Papegaai." antwoordde meneer Papegaai.
"Nee, meneer Papegaai, ú bent meneer Papegaai."
"O ja, meneer Beer, dat klopt. Mijn excuses, ik heb nog altijd last van mijn spraakgebrek. Maar vertelt u eens, waar gaat u naartoe, meneer Beer? Uw huis is toch helemaal niet deze kant op?" vroeg meneer Papegaai aan meneer Beer.
"Dat zal ik u eens uitleggen, meneer Papegaai. Zoals u wellicht weet ben ik onlangs ontvoerd geweest door meneer Raaf en filosoof Vis. Vandaag moet ik naar de rechtbank om te getuigen tegen het geboefte." legde meneer Beer uit.
"Vandaar dat u er zo netjes uitziet, meneer Beer."
"Inderdaad, meneer Papegaai. Zou ik u ook mogen vragen waar naartoe u op weg bent?"
"Uiteraard, meneer Beer."
"Waar naartoe bent u op weg, meneer Papegaai?"
"Naar dokter Blobvis, meneer Beer. Ik moet namelijk een nieuwe verwijzing naar de logopedist hebben, begrijpt u?"
"Ik begrijp het, meneer Papegaai." antwoordde meneer Beer. Na een groet vervolgde meneer Papegaai zijn weg en vervolgde meneer Beer de zijne, totdat plotseling zijn telefoon ging. Meneer Beer haalde het apparaatje uit zijn borstzak en nam op.

"Goedemorgen, met meneer Beer."
"Dag meneer Beer, mevrouw Beer hier. Ik vrees dat er een ongelukje is gebeurd."
"Oh jee, mevrouw Beer! U bent toch niet gewond?" vroeg een geschrokken meneer Beer.
"Welnee, meneer Beer. Het toilet heeft net een barst opgelopen aan de zijkant. U zult toch nog even naar de sanitairwinkel van meneer Egel moeten gaan alvorens u naar de rechtbank gaat."
"Dat is goed, mevrouw Beer. Blijft u thuis? Dan zal ik vragen of het ook bezorgd kan worden."
"Dat is goed, meneer Beer. Veel succes in de rechtbank!"
"Dankuwel, mevrouw Beer." zei meneer Beer, en hij hing weer op. Toevallig genoeg kwam hij net voorbij de sanitairwinkel van meneer Egel, genaamd Douch-Egel. Meneer Beer stapte naar binnen en zag meneer Egel achter de toonbank staan.
"G-g-gooeedemiddag me-me-meneer Beer."
"Goedemiddag meneer Egel. Ik wilde graag een nieuwe toiletpot aanschaffen."
"O-o-oh, da-da-dat kan. W-w-wat scheelt er a-a-aan de oude me-me-meneer Beer?"
"Ik werd zojuist door mevrouw Beer gebeld die mij meldde dat er een barst in de zijkant van het porselein zat."
"M-m-maar dan ka-ka-kan ik ook wel even l-l-langsgaan om te kij-kij-kijken of het m-m-misschien op een andere ma-ma-manier o-o-op te lossen is. Da-da-dat kan goed-goed-goedkoper voor u ui-ui-uitvallen, me-me-meneer Beer."
"Dat is goed, meneer Egel, mevrouw Beer zou thuisblijven voor het geval er vandaag nog een nieuw toilet zou worden langsgebracht."
"O-o-oké, me-me-meneer Beer. Dan zal ik weldra na-na-naar uw huis gaan o-o-om de schade op te me-me-meten."
"Dat is goed, meneer Egel. Tot ziens." zei meneer Beer, terwijl hij nu echt zijn weg naar het gerechtsgebouw vervolgde.

Even later kwam meneer Beer inderdaad bij de rechtbank aan, waar hij opgevangen werd door de officier van justitie, meneer Wezel.
"Goedemiddag, meneer Beer. Vandaag mogen de verdachten en u hun verhaal doen." zei hij, maar voordat hij uitgesproken was begon de grond plots te schudden onder de voeten van de aanwezigen. Het gedreun kwam alsmaar dichter en dichterbij, waarop er een enorme deur opende en meneer Wolharige Mammoet, de rechter, de kamer binnenkwam. Met forse dreunen liep meneer Wolharige Mammoet richting zijn stoel en toen hij plaatsnam volgde er een diepe zucht die tot ver in het gebouw te horen was.
"Gaat u allen staan voor de rechter!" beval de aanwezige agent Bromvlieg aan de aanwezigen. Meneer Wolharige Mammoet keek over zijn bril en zag dat één van de aanwezigen bleef zetten.
"Agent Bromvlieg, wie is die mevrouw die weigert te gaan staan?" vroeg meneer Wolharige Mammoet.
"Dat is mevrouw Antiloop, meneer Wolharige Mammoet. Mevrouw Antiloop zit in een rolstoel."
"Mijn excuses, mevrouw Antiloop. U kunt overigens allen weer plaatsnemen." aldus meneer Wolharige Mammoet, en zo geschiedde.
"Dan mag u nu uw eerste getuige horen, meneer Wezel." zei meneer Wolharige Mammoet.
"Mijn eerste getuige is meneer Beer."
"Dan mag meneer Beer plaatsnemen in het getuigenbankje, meneer Wezel. Agent Bromvlieg, wijst u meneer Beer de weg?" vroeg meneer Wolharige Mammoet aan agent Bromvlieg.
"Zeker, meneer Wolharige Mammoet." zei agent Bromvlieg, en hij liep naar meneer Beer toe om hem vervolgens naar het getuigenbankje te escorteren.
"Dag meneer Beer."
"Dag meneer Wezel."
"U bent ontvoerd door de verdachten, namelijk filosoof Vis en meneer Raaf. Klopt dit, meneer Beer?"
"Dat is juist, meneer Wezel."
"En hoe hebben zij dit gedaan, meneer Beer?"
"Door een verdovend middel in de gezouten pinda's van meneer Octopus te doen, meneer Wezel. Ik heb ook een aantal pinda's opgegeten."
"En toen, meneer Beer?"
"Toen heeft filosoof Vis zich als mevrouw Konijn verkleed, mij het huis van mevrouw Konijn ingelokt, gewacht totdat ik het bewustzijn verloor en mij daarna samen met meneer Raaf naar een andere woning gebracht. Ik wist meteen dat er iets niet klopte, meneer Wezel. Mevrouw Konijn probeert mij namelijk wel vaker uit te nodigen, maar ik kan haar lokroepen normaal altijd weerstaan."
"Intrigerend, meneer Beer." sprak meneer Wolharige Mammoet, terwijl hij een aantal notities maakte en het publiek aanschouwde, waarin ook mevrouw Konijn zich bevond.

"Dan is het nu tijd voor de verdachten, meneer Wezel." zei meneer Wolharige Mammoet.
"Eén van de verdachten weigert, meneer Wolharige Mammoet." antwoordde meneer Wezel.
"Qui tacet, consentit, meneer Wezel. En de andere verdachte?"
"De andere heeft een volledige verklaring toegezegd, meneer Wolharige Mammoet."
"Agent Bromvlieg, wilt u de verdachte die wel een verklaring wil afleggen halen?"
"Zeker, meneer Wolharige Mammoet." antwoordde agent Bromvlieg. Hij liep een andere kamer binnen en kwam even later terug met een geboeide meneer Raaf. Op het moment dat de twee heren de rechtszaal betraden begonnen de aanwezigen te joelen en met tomaten naar meneer Raaf te gooien.
"Orde in de zaal!" schreeuwde meneer Wolharige Mammoet een aantal keren. Agent Bromvlieg bracht meneer Raaf weer weg en werkte vervolgens de opstandige meute de rechtszaal uit.
"Welverdraaid!" riep meneer Wolharige Mammoet. "Dit heb ik in mijn lange loopbaan nog nooit meegemaakt. U bent vast een populair man, meneer Beer."
"Daar heeft het alle schijn van, meneer Wolharige Mammoet. Wat gaat er nu gebeuren?"
"Nu, meneer Beer, brengt meneer Wezel u naar huis, gaat agent Bromvlieg de rechtszaal fatsoeneren en hervatten wij de zaak morgen wel weer, zónder toeschouwers. Men is overduidelijk erg emotioneel met betrekking tot deze kwestie." zei meneer Wolharige Mammoet.

Even later zaten meneer Beer en meneer Wezel in de auto van meneer Wezel op weg naar het huis van meneer Beer toen plots de bolide van meneer Wezel rare geluiden begon te maken.
"Hoort uw bolide dergelijke geluiden te maken, meneer Wezel?" vroeg een argwanende meneer Beer.
"Ik heb hier geen goed gevoel over, meneer Beer. Wellicht is het een goed idee om even te stoppen." zei meneer Wezel. Hij zette zijn auto aan de kant van de weg, en op het moment dat de wagen stilstond ontsnapte er pardoes rook vanonder de motorkap. Meneer Beer en meneer Wezel sprongen snel uit de bolide en renden naar een toevallig in de buurt zijnde een praatpaal toe.
"Hallo, met meneer Wezel, mijn auto heeft de geest gegeven."
"Goedemiddag, meneer Wezel." zei de stem uit de praatpaal. "Hoe heeft uw auto precies de geest gegeven?"
"Mijn auto maakte zojuist rare geluiden, zo raar zelfs dat ik besloot om hem langs de kant van de weg te zetten. Op het moment dat hij tot stilstand kwam, ontsnapte er pardoes rook vanonder de motorkap."
"Dat klinkt niet goed, meneer Wezel. Ik zal weldra meneer Octopus met zijn tentakelwagen uw kant op sturen."
"Dankuwel, persoon praatpaalstem." zei meneer Wezel.
"Ik vrees dat we even zullen moeten wachten op meneer Octopus, meneer Beer."
"Dat geeft niet, meneer Wezel. Mijn huis is hier in de buurt gesitueerd, dus zal ik het laatste stukje wel te voet afleggen. Bedankt voor de lift, meneer Wezel."
"Dat is goed. Tot morgen, meneer Beer."
"Tot morgen, meneer Wezel." zei meneer Beer, waarop hij dus te voet zijn weg naar huis vervolgde. Enkele minuten later kwam meneer Beer bij zijn voordeur aan. Op het moment dat hij zijn sleutel in zijn voordeur probeert te steken gaat de deur al open. Meneer Beer kijkt op en ziet mevrouw Beer in een prachtige jurk naar buiten stappen.
"Wij gaan uit eten, meneer Beer." zei ze met een glimlach tegen haar man. Meneer Beer glimlachte terug, sloot de deur, draaide deze weer op slot en liep achter mevrouw Beer aan het tuinpad af.

donderdag 26 mei 2011

Meneer J. Beer

Meneer Beer was een hele bijzondere beer. Toen hij nog op de lagere school zat, was hij de enige die al in groep vier met zijn ogen dicht vissen uit de rivier kon slaan. Zonder zelf in het water te vallen, nat te worden of een carpel tunnel syndroom in zijn pols te ontwikkelen. Dat is voor een beer uit groep vier heel erg knap. Hij kreeg daarvoor dan ook altijd een extra portie vis met mayonaise.

Meneer Beer las op een dag in de krant dat er verre landen waren waar bijna geen water was om in te zwemmen. Zo weinig zelfs dat je er niet eens je snuit mee kon poetsen. Zo weinig zelfs dat sommige dieren van dorst doodgingen. En meneer Beer, die vond dat natuurlijk verschrikkelijk erg. Daarom verzon meneer Beer een plannetje om ze te gaan helpen, en hij ging naar zijn vriendje meneer Das en vroeg hem hoe lang hij er over zou doen om samen met zijn familie in zo'n land een vijver te gaan graven. En natuurlijk wat dat zou gaan kosten. Meneer Das zei dat dat, plus reis- en verblijfskosten ongeveer honderd goudstukken zou zijn. Meneer Beer ging meteen aan de slag. Elke dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat stond hij bij de rivier om vissen uit het water te slaan. Beren zijn daar erg gek op. En omdat meneer Beer dat heel goed begreep, verzamelde hij stapeltjes vissen en bracht deze naar zijn huisje aan het water. Daarna verkocht hij die vissen elke woensdag- en zaterdagmiddag in zakjes waarin twee vissen zaten. Het was een verschrikkelijk slim idee, want vooral de wat oudere beren, die wat slecht te been waren, vonden dat erg handig. Na zes zomers had meneer Beer al zevenentachtig goudstukken bij elkaar gespaard.

De koning van het land was een heel merkwaardig dier. Hij wilde altijd ganzenborden, van heuvels rollen en in de limonade liggen. Regeren, dat vond hij maar niks, regeren vond hij saai en ouderwets. Maar op een dag zag de koning dat zijn geldkist bijna leeg was en hij riep zijn ministers om te vragen hoe dat nou kon.
"Tja," zeiden de ministers, "inderdaad en nu u het zegt. Met uw welnemen, onze schatkist is bijna leeg. Het was ons nog niet opgevallen."
"Zo. En wat gaat u daar aan doen?" zei de koning, "en een beetje vlug, want ik moet terug naar mijn ganzenbord. Heeft iedereen zijn belasting betaald?"
"Ja, koning," zeiden de ministers.
"Krijgen wij dan niet het één en ander uit het buitenland?"
"Nee, koning."
"Kunnen wij dan iets verkopen?"
"Wat dan? Alles is al verkocht, koning... behalve het paleis, het koninklijke ganzenbord en het limonadezw- Zeg koning! Misschien kunnen wij het limonadezwembad verkopen!"
"Wat een verschrikkelijk slecht idee," zei de koning, "geen sprake van!"
"Dan zullen we het moeten lenen, koning."
"Lenen? Van wie dan wel?"
"Wij hebben gehoord, koning, dat één van uw onderdanen, Meneer J. Beer, meer dan HONDERD goudstukken heeft, koning!"
"Het is niet waar," zei de koning, "ministers, wat hou ik van jullie! Ga ze dan ogenblikkelijk lenen!"
"En wanneer betalen we ze dan terug, koning?"
"Minister, dat zien wij wel."

Meneer Beer sprak met de ministers af dat de koning hem het geld over vier zondagen terug zou geven. Meneer Beer was natuurlijk geweldig trots dat de koning bij zo'n eenvoudige beer geld kwam lenen. Bovendien voelde hij zich een heel klein beetje belangrijk. Maar na zes zondagen had meneer Beer nog niets van de koning gehoord. En meneer Beer werd toch wel een heel klein beetje ongerust. Er zou toch niks gebeurd zijn? Toen hij na acht zondagen, stel je voor, ACHT zondagen nog niets gehoord had, werd meneer Beer toch wel een heel klein beetje ongerust. Meneer Beer dacht, weet je wat, ik ga naar het paleis en ik ga gewoon bij de koning vragen of ik mijn geld terug kan krijgen. Per slot van rekening, over een week al vertrekt de familie Das naar het verre land om een vijver te gaan graven en die kunnen toch niet zonder centjes weggaan? Stel je nou toch voor. Op een mooie, zonnige morgen ging meneer Beer welgemoed op pad.
Om de hoek kwam meneer Beer zijn persoonlijke vriend meneer Orang-Oetan tegen, die net zijn tanden aan het poetsen was.
Meneer Orang-Oetan zei: "Goedemorgen meneer Beer, waar gaat u zo vroeg naar toe?"
"Ik ga naar de koning, want ik wil mijn geld terug."
"Meneer Beer, zou ik met u mee mogen komen?" zei meneer Orang-Oetan, "ik zou zo graag de koning eens van dichtbij zien. En ze zeggen dat de koning waanzinnig goed kan ganzenborden, en u weet dat ik een enorme kampioen ben in ganzenborden, dus misschien kan ik het eens met de koning doen en misschien win ik dan wel van de koning."
Meneer Beer dacht, vrienden, vrienden kun je nooit genoeg bij je hebben, dus zei hij: "Meneer Orang-Oetan, rolt u zich maar zo klein mogelijk op en kruip in de binnenzak van mijn jas. Dan kan ik u zonder dat de koning u kan zien het paleis in smokkelen."
"Zeg meneer Beer, ik moet eerlijk zeggen, u bent nog slimmer dan ik," zei meneer Orang-Oetan. En hup, met een sprong verdween hij met zijn hele hebben en houden in de binnenzak van de jas van meneer Beer.

Een eindje verderop zag meneer Beer zijn vriend meneer Octopus met zijn tentakelwagen lekker op een parkeerplaats in de zon staan.
"Dag meneer Octopus, gaat u voor een zongebruinde lak?" vroeg meneer Beer.
"Nou," zei meneer Octopus, "als ik me regelmatig omkeer, lukt het best. En waar bent u zo vroeg op weg naar toe, meneer Beer?"
"Ik ga naar de koning, want ik wil nou eindelijk mijn geld eens terug."
"Zeg meneer Beer, kan ik met u mee? Het schijnt dat de koning een hele mooie bolide heeft en die zou ik weleens van dichtbij willen zien."
"Nou," zei meneer Beer, "maakt u zich klein, dan stop ik u in mijn jaszak." En met een mechanisch sprongetje verdween meneer Octopus met zijn tentakelwagen in de jaszak van meneer Beer. Toen meneer Beer over de heuvel liep zag hij plots zijn vriendin mevrouw Konijn uit het raam van haar huisje hangen.
"Dag meneer Beer! Komt u eindelijk gebruik maken van mijn aanbod om een lekkere appeltaart voor u te maken?"
"Helaas, mevrouw Konijn, ik moet als de wiedeweerga naar het paleis van de koning toe om mijn geld terug te vragen."
"Naar het paleis, meneer Beer? Ik heb gehoord dat de koning ook wel een lekkere appeltaart lust! Misschien kan ik op deze manier zo'n indruk maken op de koning dat ik zijn vaste appeltaartenbakster kan worden! Kunt u mij niet mee naar binnen smokkelen, meneer Beer?"
Meneer Beer zuchtte eens diep en ging na welke van zijn jaszakken nog leeg waren.
"Het spijt mij, mevrouw Konijn, maar het lijkt erop dat ik geen ruimte meer heb!"
"Maar meneer Beer, wat als ik nu eens op uw rug klim en mij onder uw jas verstop?"
"Dat is een goed idee, mevrouw Konijn! Springt u maar aan boord!" Eenvoudig klom mevrouw Konijn met haar appeltaart op de rug van meneer Beer.

En zo kwam meneer Beer met zijn onzichtbare vrienden meneer Orang-Oetan, meneer Octopus en mevrouw Konijn in de hoofdstad aan en liep hij regelrecht naar het paleis, waar hij heel voorzichtig drie keer op de deur klopte.
"Ik ben portier hier, mijn naam is jonkheer Papegaai, wat komt u doen?"
"Ik ben het, Meneer Jodocus Beer. Ik wil de koning spreken."
"Ik ben het, Meneer Jodocus Beer... oh, wacht eens..." zei jonkheer Papegaai, "dat was u, geloof ik. Maar de koning spreken? Ach! Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Zijne majesteit gaat zojuist dineren en wenst niet gestoord te worden."
"Zeg jonkheer Papegaai, zegt u maar dat ik het ben, meneer Beer. De koning weet wel waarover het gaat."
Dus ging jonkheer Papegaai naar de koning die net in een enorme tros druiven wilde bijten. En toen de koning hoorde dat meneer Beer voor de paleispoort stond, zei de koning: "Ja ja. Ik weet wel wie dat is. Laat hem maar binnenkomen. En donder hem dan meteen in het mierenhok. Daar zal hij zich het beste thuis voelen."
De paleisdeur zwaaide open en met opgeheven snuit stapte meneer Beer naar binnen.
"Deze kant uit, alstublieft," zei jonkheer Papegaai, "nog een stapje verder. Ja, nu bent u waar de koning u hebben wil." En met een klap viel het hek achter meneer Beer in het slot. Ja, maar dat kan toch niet, dacht meneer Beer. Wat moet ik nou in het mierenhok? Dat is vast een vergissing. Ik denk dat de koning een vergissing heeft gemaakt. Ik denk dat de koning misschien wel dacht dat ik een mier was. Of zou de koning dat expres hebben gedaan? Nee, dat doen koningen niet. Ik weet zeker dat koningen dat niet doen. Die doen... Wat doen die eigenlijk? En waarom zit ik dan in het kippenhok? Beren lijken toch niet op mieren?
"Koning! Koning! Ik zit in het kippenhok! Oehoe! Hé koning! Dat is toch niet goed, hè? Wat moet ik nou in het kippenhok?"
Zo'n driehonderdvijftig vrouwtjesmieren, zo'n zesduizenddrieëndertig larven, zo'n vijfenvijftig koninginnetjes en zevenenzeventig mannetjesmieren stonden op een afstandje een beetje merkwaardig naar meneer Beer te koekeloeren.

"Wat moet dat in ons hok?" vroeg een van de mannetjesmieren zich hardop af.
"Sinds wanneer is een beer ook een mier? Beren kunnen toch nooit zó hard als mieren werken! U kunt hier niet blijven hoor." zeiden de mieren in koor.
"Wij houden onze poten stijf, en blijft u toch, dan scheuren wij uw vacht van uw lijf!"
O jee, dacht meneer Beer, dit gaat helemaal niet goed aflopen. Plots bedacht hij zich dat hij meneer Orang-Oetan nog in zijn jaszak had zitten. Die hield zo op zijn eigen manier wel van mieren. Dus meneer Beer riep: "Eruit! Eruit, meneer Orang-Oetan! En sla er flink op los!" Meneer Orang-Oetan liet zich dat geen twee keer zeggen, kwam uit de jaszak van meneer Beer gerold en vrat alle mieren stuk voor stuk op. Meneer Beer zag dit en zong:

Brom brom brom, ik ben wel goed, maar ik ben niet dom!

De koning, die net een banaan wilde eten, hoorde meneer Beer zingen en even later kwam de tuinman aanrennen om te vertellen dat alle mieren waren opgegeten. De koning werd razend.
"Gooi die beer ogenblikkelijk in een diepe put. Ik word verschrikkelijk moe van die beer. En laat ik hem nooit meer horen!"
De dienaren van de koning grepen meneer Beer bij zijn kraag en aan zijn vacht en smeten hem in de diepste put die ze konden vinden. Wanhopig staarde meneer Beer omhoog en hij vroeg zich af hoe hij ooit tegen die glibberige wanden omhoog zou kunnen klimmen. Maar ineens dacht hij aan zijn vriend meneer Octopus.
"Meneer Octopus! We gaan eraan als uw tentakelwagen ons niet omhoog kan takelen!" En hup! Meteen kwam meneer Octopus met zijn tentakelwagen voor de dag en slingerde hij de haak van zijn tentakelwagen over de rand van de put en meneer Beer klauterde vlug naar boven en sprong in het gras en begon harder dan ooit te zingen:

Brom brom brom, ik ben wel goed, maar ik ben niet dom!

De koning nam een hapje van zijn chocoladereep, maar verslikte zich bijna toen hij meneer Beer wederom hoorde zingen.
"Welverdraaid!" schreeuwde hij. "Ministers, wij gaan die beer eens flink te grazen nemen!" en samen met zijn ministers rende de koning op meneer Beer af. Oh jeetje, dacht meneer Beer, ik moet iets verzinnen! Plots bedacht hij zich dat mevrouw Konijn en haar appeltaart nog altijd op zijn rug zaten verstopt.
"Mevrouw Konijn, laat ze een appeltaartje ruiken!" riep meneer Beer. Mevrouw Konijn liet zich onder de jas van meneer Beer doorglijden en verscheen met een appeltaart in haar handen voor de neuzen van de koning en zijn ministers.
"Mijn hemel, dat ruikt heerlijk!" riep de koning, terwijl het kwijl uit zijn mond stroomde. Opeens schoot meneer Beer iets te binnen. Hij griste de appeltaart uit de handen van mevrouw Konijn en alsof het een frisbee was gooide meneer Beer de appeltaart uit het raam van het paleis. De koning was zo geobsedeerd door de heerlijk ruikende appeltaart dat hij vergat dat het raam op de elfde verdieping zat, waardoor hij naar beneden stortte en bij aankomst op de grond morsdood was. In een poging om de koning te redden volgden de ministers hem de afgrond in, waar ze er halverwege achterkwamen dat ze niet konden vliegen, waardoor ook zij allemaal om het leven kwamen.

Intussen hadden de dienaren en het volk de koning en de ministers op straat gevonden. Gevolgd door een hele menigte rende iedereen naar de troonzaal om te zien wat er gebeurd was. Daar vonden ze, tot hun grote verbazing en opluchting, een andere koning op de troon: Meneer Jodocus Beer.
"De koning is dood, leve de koning! De koning is dood, leve de koning!" riep iedereen.
Een paar dienaren waren naar beneden gerend en kwamen terug met de gouden kroon van de overleden koning, die tweehonderdtwintig kilo woog. Ze zetten hem op het hoofd van meneer Beer, maar daarna kwamen de dienaren voor een nieuw probleem te staan. Mevrouw Konijn was door de enorme drukte een beetje bang geworden en klampte zich stevig vast aan meneer koning Beer.
"U bent vast de koningin!" riepen de dienaren. Snel werden twee van hen naar zolder gestuurd om een tiara voor mevrouw Konijn te halen.
"Leve de koning! Leve de koningin!"

"Hmm meneer Beeeer..." stamelde een wakkerwordende mevrouw Konijn terwijl ze haar kussen stevig in haar handen hield. Ze wreef eens in haar ogen, rekte zich eens uit en ging rechtop zitten. Plots hoorde ze buiten een geluid. Mevrouw Konijn liep naar haar raam toe en zag meneer Beer over zijn tuinpad lopen. Ze opende haar raam en wenste hem een goedemorgen.
"Goedemorgen, meneer Beer."
"Goedemorgen, mevrouw Konijn. Wat ziet u er vermoeid uit."
"Dat kan kloppen, meneer Beer. Ik heb namelijk een zeer aparte droom gehad, maar dat vertel ik u nog wel als u die appeltaart eindelijk eens op komt eten."
"Dat is goed, mevrouw Konijn, maar nu moet ik weg. Dag mevrouw Konijn."
"Dag meneer Beer."

zondag 8 mei 2011

"Spannend he, Meneer Beer?"

Nog een oude meneer Beer die hier nog niet stond.
_________________________________

Meneer Beer liep een keer naar dokter Blobvis toe. Na enkele dagen begon mevrouw Beer meneer Beer wat te plagen over zijn ongeval van enkele tijden geleden en de wond genas prima, dus leek het meneer Beer die keer een goed idee om om het oordeel van dokter Blobvis te vragen. Dokter Blobvis had immers papieren die hem bevoegd maakten tot het vellen van medische oordelen. Sportief als meneer Beer is ging hij net als de vorige keer met de benenwagen naar dokter Blobvis toe. Dat is wel zo gezond en wie weet kwam meneer Beer nog wat gezellige personages tegen. Wat dat betreft zat het meneer Beer niet echt mee, want onderweg naar dokter Blobvis kwam hij alleen meneer Slak tegen. Gezien meneer Slak net zo snel praat als dat hij loopt leek het meneer Beer bijzonder onverstandig om een conversatie met meneer Slak aan te gaan. Meneer Beer had namelijk niet de hele dag de tijd.

Na een kort bezoek stond meneer Beer alweer buiten de praktijk van dokter Blobvis. De tijd dat meneer Beer in de kamer van dokter Blobvis doorbracht was korter dan de loopafstand van de praktijk naar de kroeg, en dat terwijl de kroeg precies tegenover de praktijk gesitueerd lag. Meneer Beer had meer tijd voor zijn doktersbezoek uitgetrokken dan de uiteindelijke tijd, dus leek het meneer Beer wel een leuk idee om eens even in de kroeg van meneer Leeuw te loeren om te zien of daar nog bekenden van hem zaten. Normaal gesproken zat er altijd wel iemand, en anders kon meneer Beer altijd nog even gedag zeggen tegen meneer Leeuw zelf. Meneer Beer liep naar de ingang van de kroeg en keek om het hoekje de kroeg in. Aan de bar zag hij meneer Das zitten praten, maar meneer Das zat met zijn rug naar de ingang toe, dus kon meneer Beer niet aanschouwen wie de gesprekspartner van meneer Das was. Het moest in ieder geval iemand zijn die kleiner was dan meneer Das, dat was wel duidelijk. Meneer Beer vreesde al voor de gekke verhalen van meneer Axolotl en zijn avonturen met de verschrikkelijke sneeuwman, maar toen meneer Beer de kroeg binnenstapte hoorde meneer Beer al aan de stem dat het meneer Axolotl niet was.

"Goedemiddag, meneer Beer." zei meneer Das.
"Goedemiddag, meneer Das." antwoordde meneer Beer.
"Ik zat net een discussie te voeren." zei meneer Das, terwijl hij zich weer tot zijn gesprekspartner wendde.
"Maar legt u nu eens uit, filosoof Vis, waar die beweringen op slaan?"
"Welke uitdrukking bedoelt u uitdrukkelijk, meneer Das?"
"Die ene die u net uitkraamde, filosoof Vis." antwoordde een licht geïrriteerde meneer Das. Meneer Beer voelde een gespannen sfeer en bestelde een ranja bij meneer Leeuw.
"Komteraan." bromde de laatstgenoemde zachtjes. Meneer Beer posteerde zich naar meneer Das en volgde de discussie tussen meneer Das en filosoof Vis aandachtig.
"Dat de hele kunst van het spreken is begrepen te worden?" vroeg filosoof Vis aan meneer Das.
"Inderdaad, filosoof Vis, want dat is toch maar bijzonder weinig relevant aan de vraag waarom borrelnootjes er in verschillende kleuren zijn."
"Bij nader inzien heeft u helemaal gelijk, meneer Das. Misschien kan deze edele heer, die net is aan komen schuiven, duidelijkheid verschaffen met betrekking tot dit euvel. De edele man beseft immers wat deugdzaam is, terwijl de normale man alleen het winstgevende ziet." zei filosoof Vis, al kijkende naar een steeds harder brommende meneer Leeuw. Meneer Beer was echter flink verbaasd door het afschuiven van de vraag van meneer Das en wist zo even geen antwoord te geven.
"Ik weet het zo even niet, filosoof Vis." antwoordde meneer Beer dan ook.
"Als men ziet wat juist is, en het nalaat, is dat een gebrek aan moed." antwoordde filosoof Vis dan weer.
"Inderdaad!" bromde een boze meneer Leeuw, terwijl hij filosoof Vis bij zijn kladden greep en de kroeg uitsmeet.
"Hoepelopmeddatgezever!" bromde meneer Leeuw hem nog na.

Intussen kwam meneer Orang-Oetan ook de kroeg binnenwandelen.
"Zeg, meneer Leeuw, wat was dat?"
"Hmpfgrbml..." was het enige dat meneer Orang-Oetan uit meneer Leeuw kon krijgen, dus ging meneer Orang-Oetan maar duidelijkheid vragen aan meneer Das en meneer Beer.
"Oh, filosoof Vis was meneer Leeuw zorgvuldig aan het beledigen, meneer Orang-Oetan." antwoordde meneer Das.
"U moet daar maar niet naar luisteren, meneer Leeuw. U runt uw kroeg uitstekend."
"Hij heeft gelijk, meneer Leeuw." beaamde meneer Orang-Oetan. "Weg met dat gezever, doe mij maar een jenever."
Meneer Leeuw begon door de lofzang van meneer Das en meneer Orang-Oetan weer wat te kalmeren en schonk de gewenste jenever in voor meneer Orang-Oetan. Meneer Das wist echter nog steeds het antwoord op zijn prangende vraag niet.
"Zegt u eens, meneer Orang-Oetan, weet u misschien hoe het komt dat borrelnootjes verschillende kleuren hebben?"
"Meneer Das, werkelijk, hoe komt u erop? Wat een aparte vraag. Maar eerlijk gezegd weet ook ik daar geen antwoord op. Maar heeft u zich misschien al eens afgevraagd of er een reden is waarom ze wel in dezelfde kleur zouden moeten zijn?"
"Eigenlijk niet, meneer Orang-Oetan..." antwoordde meneer Das, terwijl hij zijn vinger op zijn onderlip legde en zich binnensmonds afvroeg of hij daar wel iets op kon bedenken.
"Meneer Orang-Oetan, ik weet misschien wel het antwoord op uw tegenvraag." zei meneer Beer plotseling.
"Werkelijk, meneer Beer? En wat is dat antwoord dan?"
"Dat zal ik u eens haarfijn uitleggen, meneer Orang-Oetan. Als ze alle borrelnootjes eenzelfde uiterlijk geven dan scheelt dat aanzienlijk in de productiekosten in vergelijking met het produceren van borrelnootjes in verschillende kleuren. Pinda's zijn immers ook vrijwel gelijk in uiterlijk."
"Daar heeft u een goed punt, meneer Beer." beaamde meneer Das.
"Misschien hebben de borrelnootjesfabrikanten een hoger budget om te spenderen, meneren Beer en Das." zei meneer Orang-Oetan. Meneer Leeuw, die aan de bar stond en vocht wegveegde mompelde ook nog iets.
"Misschien variëren ze gewoon graag."
"Variëren, meneer Leeuw? Waarom zouden ze dat doen?" vroeg meneer Orang-Oetan zich dan weer af. Meneer Leeuw haalde zijn schouders op en ging door met zijn taak.
"Meneer Orang-Oetan, misschien heb ik nog een ideetje voor dat euvel. Zou het niet kunnen zijn dat er een vrouw aan het roer van dat bedrijf staat?"
"Dat zou goed kunnen, meneer Beer, maar ik zie vrouwen nauwelijks borrelnootjes eten."
"Dat is ook weer zo, meneer Orang-Oetan. Meneer Axolotl had vast de verschrikkelijke sneeuwman de schuld gegeven." grapte meneer Das.
"Als er witte plukjes haar in de zakjes zaten en ze twee euro kostten wel, meneer Das." grapte meneer Beer mee terwijl hij zijn laatste bodempje ranja achterover sloeg.
"Meneer Orang-Oetan, meneer Das, ik ga maar weer eens op huis aan."
"Wilt u soms een lift, meneer Beer? Ik moest toch die kant op." bood meneer Das aan.
"Dat is wel goed, meneer Das." Meneer Das dronk zijn drankje ook op en samen met meneer Beer liep meneer Das naar buiten toe, nadat ze meneer Orang-Oetan en meneer Leeuw nog een prettige dag toewensten.

Terwijl meneer Beer en meneer Das in de richting van het vehikel van meneer Das liepen hoorden zij plots een stem vanachter een muurtje vandaan komen.
"Als je een waardig mens ontmoet, tracht hem dan na te volgen. Als je een onwaardig mens tegenkomt, beproef dan jezelf!" riep de stem.
"En u, meneer Beer, bent een waardig mens, dus ik volg u." vervolgde de stem. Meneer Beer en meneer Das keken om en zagen dat het filosoof Vis was die vanachter het muurtje opdook. Meneer Beer maande meneer Das aan om maar snel de deuren van zijn wagen te openen, zodat ze zich veilig in de bolide van meneer Das konden vluchten voor de vreemde filosoof Vis. Dit leek meneer Das ook een goed idee, dus hij haalde snel de deuren van het slot, zodat zowel hij als meneer Beer vlug in konden stappen. Eenmaal ingestapt haalde meneer Beer opgelucht adem.
"Was dat even schrikken, meneer Beer." zei meneer Das die in zijn spiegels keek om te zien waar filosoof Vis zich bevond, maar de vogel leek gevlogen.
"Gelukkig is hij weg, meneer Das. En ik vond meneer Axolotl nog wel zo curieus."

Meneer Das reed meneer Beer naar huis, maar onderweg leek meneer Beer filosoof Vis telkens te zien staan.
"Meneer Das, is dat nou filosoof Vis daar bij dat gebouw?"
"Waar dan, meneer Beer?" maar toen zag meneer Beer hem ook niet meer. Elke keer leek meneer Beer een glimp van filosoof Vis te zien in zijn ooghoek, en als hij aan meneer Das vroeg of hij filosoof Vis ook zag dan was de laatstgenoemde telkens weer verdwenen. Meneer Beer kreeg er koude rillingen van.
"Vindt u dit ook zo eng, meneer Das?"
"Nou, meneer Beer, ik voel mij momenteel zeker niet op mijn gemak en zal vannacht waarschijnlijk ook met één oog open slapen."
"Maar meneer Das, hij zit toch achter mij aan? U hoeft zich geen zorgen te maken hoor."
"Dat kunt u nu wel zeggen, meneer Beer, maar wie weet wat die gekke vis gaat doen als hij klaar is met u."
"Hoe bedoelt u dat, meneer Das?"
"Nou, meneer Beer, u weet wel..."
"Legt u dat eens uit, meneer Das."
"Ach, u kent het wel van televisie, meneer Beer."
"Wat ken ik wel van televisie, meneer Das?"
"Nou ja, meneer Beer. Van die moordzaken en zo."
"Moordzaken, meneer Das?! Ik hoop het toch niet!"
"Ik ook niet, meneer Beer, maar zeker weten doe ik het ook niet. Misschien moeten wij maar naar agent Bromvlieg gaan om bescherming te vragen."
"Meneer Das, ik denk toch echt niet dat het zover zal komen. Zo goed ken ik filosoof Vis niet, maar hij is toch zeker geen moordenaar, meneer Das? Hij spreekt zelfs erg positief over mij, waarom zou filosoof Vis dan zoiets engs doen?"
"Misschien heeft u wel gelijk, meneer Beer. Ik ben bang dat ik wat overdreef." zei meneer Das, lichtjes blozend.

Meneer Das en meneer Beer waren nauwelijks bijgekomen van de enge gedachten van meneer Das of ze waren bij het huis van meneer Beer aangekomen.
"Bedankt voor de lift, meneer Das. En kijkt u vanavond maar geen enge programma's." zei meneer Beer met een licht spottende glimlach op zijn gezicht.
"Ik zal het overwegen, meneer Beer." zei meneer Das met een glimlach terug. Meneer Beer gooide de deur van de bolide van meneer Das dicht en draaide zich om in de richting van zijn tuinpad toen hij plotseling weer iets zag bewegen in zijn ooghoek. Meneer Beer moest weer denken aan de enge woorden van meneer Das, maar besloot toch om zo moedig te zijn en de kant van de beweging in zijn ooghoek op te kijken. Er bleek niks te zien te zijn. Toch zag meneer Beer wéér wat in zijn ooghoek en wéér draaide hij zijn hoofd, maar het leek wel alsof het object of persoon de hele tijd meedraaide met meneer Beer. Op dat moment ging de voordeur open bij de buurvrouw van meneer Beer, mevrouw Konijn. Mevrouw Konijn draaide haar deur met de sleutel op slot en wilde haar sleutelbos weer in haar handtasje stoppen toen ze plotseling meneer Beer in zijn voortuin zag staan terwijl hij rondjes aan het draaien was. Normaal sprak mevrouw Konijn meneer Beer bijzonder graag aan, maar hier werd ze toch wel even stil van. Na enkele ogenblikken de bewegingen van meneer Beer aan te hebben gekeken besloot mevrouw Konijn dan toch om meneer Beer aan te spreken.
"Meneer Beer, wat bent u toch aan het doen?"
"Oh, goedemiddag mevrouw Konijn. Het lijkt alsof iets mij achtervolgt en ik zie het de gehele tijd in mijn ooghoek, maar telkens als ik mijn hoofd die kant op draai dan beweegt het mee." Mevrouw Konijn fronste eens en had zo haar bedenkingen bij de verklaring van meneer Beer.
"Meneer Beer, wilt u eens hier komen?" vroeg mevrouw Konijn beleefd. Meneer Beer zag niet in hoe dit kwaad kon en besloot richting de heg te lopen, welke een scheidingslijn tussen de tuinen van de familie Beer en mevrouw Konijn vormde. Meneer Beer ging vlak voor mevrouw Konijn staan en zag dat mevrouw Konijn haar handtasje op de grond zette en vervolgens met haar handen naar het gezicht van meneer Beer ging. Langzaam raakte mevrouw Konijn met haar zachte handjes de wangen en de jukbeenderen van meneer Beer aan.
"In welke ooghoek ziet u het telkens, meneer Beer?"
"In de linker, mevrouw Konijn." Mevrouw Konijn speurde, nog steeds bedenkelijk kijkend, het linkeroog van meneer Beer af. Na even te hebben gekeken merkte meneer Beer dat de blik van mevrouw Konijn veranderde in een lacherige blik en mevrouw Konijn ging met haar rechterhand naar de ooghoek van het linkeroog van meneer Beer toe.
"Ik zie al wat het probleem is, meneer Beer." wist mevrouw Konijn. Ze plukte een wimper uit de ooghoek van meneer Beer en liet het aan hem zien.
"Och, wat suf!" zei meneer Beer al lachend. Meneer Beer moest zelfs een beetje blozen, omdat hij zich schaamde voor de uitermate hilarische gebeurtenis die zich zojuist ontvouwde in zijn voortuin, maar door zijn dikke berenvacht kon mevrouw Konijn dit toch niet zien. Mevrouw Konijn begon nu ook te giechelen alsof ze een zestienjarig schoolmeisje was, maar dat was ze al een aantal jaren niet meer.
"Dank u wel voor het oplossen van dit probleempje, mevrouw Konijn."
"Graag gedaan hoor, meneer Beer, maar nu moet u toch echt een keer langskomen voor een appeltaart en wat halfvolle melk."
"U heeft gelijk, mevrouw Konijn. Ik zal het weldra met mevrouw Beer overleggen wanneer wij eens op bezoek zullen komen. Een prettige dag nog, mevrouw Konijn." sloot meneer Beer af, alvorens hij zijn woning betrad.
"U ook nog een prettige dag, meneer Beer. Tot ziens." zei mevrouw Konijn, terwijl ze haar weg weer vervolgde.

woensdag 20 april 2011

vrijdag 15 april 2011

Meneer Beer moet naar de dokter

Nogmaals een oude meneer Beer.
_____________________
"Zucht..." zei Meneer Beer terwijl hij de televisie uitzette.
"Bolivia uit is altijd lastig."
"Liep het niet goed af?" vroeg mevrouw Beer bij binnenkomst.
"Nee, mevrouw Beer, maar dat kan je verwachten in Bolivia."
"Dat is waar, meneer Beer." antwoordde mevrouw Beer, terwijl ze verder ging met het afstoffen van de meubelen in huize Beer. Meneer Beer had echter in de gaten dat mevrouw Beer gewoon maar wat willekeurige taal uitsprak. Wat wist zij immers van sport, en kikkersmijten in het bijzonder?

Meneer Beer zuchtte nog een keer en keek naar de salontafel. Tijdens het aanschouwen van het kampioenschap op de beeldbuis had meneer Beer een aantal lekkernijen op die tafel gezet, met als doel om ze op te eten. De wedstrijd was echter zo spannend dat meneer Beer maar één toastje met brie heeft weg weten te werken. Meneer Beer zag een stuk brie met een kleine inkeping, een nauwelijks gebruikt mes liggen en een halfvol glas met water staan. Omdat de strijd al gestreden was en meneer Beer deze lekkernijen liever voor een andere keer wilde bewaren besloot hij om het hele handeltje maar naar de keuken te brengen, de brie goed af te sluiten en het mes bij de afwas neer te leggen. Mevrouw Beer zou het immers ook appreciëren dat meneer Beer eens wat deed terwijl zij druk was met het huishouden. Meneer Beer pakte alles met wat moeite vast en stond op.
"Pas je op, lieverd?" zei mevrouw Beer nog, maar dit was tevergeefs. Meneer Beer wandelde gestaag richting de keuken, maar zijn voet bleef achter de tafel hangen waardoor meneer Beer ten val kwam.
"Meneer Beer!" riep mevrouw Beer in paniek.
"Gaat het?!" vroeg ze geschrokken aan de gevloerde meneer Beer. Meneer Beer keek voor zich uit en zag dat het glas in een aantal stukken uit elkaar gespat was. De brie was wonderbaarlijk genoeg bovenop het bordje blijven liggen en het was zelfs met de brie naar boven op de grond gevallen. Terwijl meneer Beer mevrouw Beer gerust wilde stellen en wilde zeggen dat hem niets mankeerde voelde hij plotseling een steek in zijn hand.
"Verdraaid." zei meneer Beer.
"Wat is er, meneer Beer?" vroeg een geschrokken mevrouw Beer aan haar wederhelft.
"Mevrouw Beer, het lijkt erop dat er een stuk glas in mijn hand zit. Kunt u even een doekje pakken?" Meneer Beer bleef ijzig kalm terwijl mevrouw Beer naar de verbanddoos snelde en er een stuk rekverband uitsjorde.
"Meneer Beer, u moet naar een dokter!"
"Inderdaad, dit ziet er niet best uit. Belt u de dokter maar alvast, dan ga ik snel die kant op." stelde meneer Beer voor. Mevrouw Beer stemde in en enkele momenten later stond meneer Beer buiten, met een slap rekverbandje om zijn hand.
"Wees voorzichtig onderweg!" riep mevrouw Beer haar partner nog na. Meneer Beer draaide om en glimlachte naar mevrouw Beer.
"Dat zal ik doen. Tot straks, mevrouw Beer!"

De minuten verstreken en meneer Beer was al een aardig eind op weg naar het huis van de dokter. Plots hoorde meneer Beer een bekende stem naast zich.
"Als ik het al niet dacht!" riep de stem. Het was meneer Axolotl die voorover stond gebukt op een grasveld.
"Meneer Axolotl? Wat doet u daar?"
"Meneer Beer! Gegroet! Dit is precies wat ik dacht dat het was!"
"Wat ziet u daar dan, meneer Axolotl?"
"Gras natuurlijk, meneer Beer." antwoordde meneer Axolotl niet geheel onverwachts. Hij stond immers op een grasveld. Meneer Beer zuchtte diep en besloot dan uit aardigheid maar te vragen wat er zo bijzonder was aan dat gras.
"Meneer Axolotl, wat is er dan zo bijzonder aan dat gras dat u het van naderbij aan het inspecteren bent?"
"Dat zal ik u eens haarfijn uitleggen, meneer Beer. Dit gras is namelijk deels platgedrukt, en bovendien in zo'n patroon dat het lijkt alsof er een uitermate groot wezen over dit grasveld is komen lopen. Ik ben er bang voor... Maar... Maar meneer Beer, wat heeft u daar?"
"Wat heb ik waar, meneer Axolotl?"
"Daar, meneer Beer, om uw hand. Is dat verband?"
"Dat is het zeker, meneer Axolotl."
"Mag ik u iets vragen, meneer Beer?"
"Dat mag u zeker, meneer Axolotl."
"Hoe komt het dat uw hand in het verband zit, meneer Beer? Heeft u soms een slaande ruzie met uw echtgenote gehad waarbij zij u verwondt heeft?"
"Welnee, meneer Axolotl."
"Was het dan de verschrikkelijke sneeuwman die u iets heeft aangedaan, meneer Beer?"
"Welnee, meneer Axolotl. Ik liep met een aantal voorwerpen rond, waaronder een glas, en toen viel ik en bezeerde ik mijn hand. Dus nu ben ik op weg naar de dokter zodat hij mijn hand nader kan inspecteren."
"Dat klinkt al beter dan de situaties welke ik voorstelde, maar ook de waarheid klinkt niet al te prettig, meneer Beer. Ik stel voor dat u uw weg naar de dokter voortzet om die wond van u te laten bekijken. Sterkte nog, meneer Beer."
"Dank u wel, meneer Axolotl." antwoordde meneer Beer en hij volgde het advies van meneer Axolotl op, ook al was meneer Beer dat sowieso al van plan.

Meneer Beer kwam alsmaar dichter bij zijn bestemming, maar hij kreeg nu door dat het door mevrouw Beer in paniek aangelegde rekverbandje de taak van bloedvanger niet langer kon vervullen. Om de haverklap moest meneer Beer even pauzeren om het verband weer even aan te trekken, zodat de kleren van meneer Beer en de straten van zijn woonplaats niet onder het bloed kwamen te zitten. Toch lukte het één druppel om te ontsnappen aan het verbandje en die druppel kwam op de jas van meneer Muis terecht.
"Meneer Beer, past u toch eens op! Ik heb er schoon genoeg van dat u mij telkens onderkwijlt!"
"Mijn excuses, meneer Muis, maar deze keer is het geen kwijl." Meneer Muis keek op zijn jas en zag inderdaad iets anders dan kwijl.
"MENEER BEER!" schreeuwde een bange meneer Muis. "Dat is bloed!"
"Dat klopt, meneer Muis."
"Het komt uit uw hand, meneer Beer! U moet naar een dokter toe!"
"Doet u maar rustig, meneer Muis, daar was ik namelijk al naartoe aan het lopen. Kan ik u even een zakdoekje aanbieden zodat u mijn bloed van uw jas kan afvegen?"
"Dat is aardig van u, meneer Beer. Geeft u het maar, ik veeg het zelf wel af. Straks zit ik nog meer onder het bloed en denkt agent Bromvlieg wellicht dat ik een delict gepleegd heb."
"Dat zal wel meevallen, meneer Muis." zei meneer Beer alvorens hij een zakdoekje overhandigde aan meneer Muis.
"Mag ik u wat vragen, meneer Beer?"
"Uiteraard, meneer Muis."
"Heeft u soms een slaande ruzie gehad met mevrouw Beer dat u nu aan het bloeden bent?"
"Welnee, meneer Muis. Ik liep met een aantal voorwerpen rond, waaronder een glas, en toen viel ik en bezeerde ik mijn hand. Dus nu ben ik op weg naar de dokter zodat hij mijn hand nader kan onderzoeken."
"Gelukkig maar, meneer Beer. Nou ja, ik ben natuurlijk niet blij dat u gewond bent, maar u begreep wel wat ik bedoelde."
"Dat denk ik wel, meneer Muis. Dan ga ik nu snel naar de dokter toe."
"Tot ziens, meneer Beer."
"Tot ziens, meneer Muis."

Na dit akkefietje met meneer Muis was meneer Beer dan eindelijk aangekomen bij het huis van de dokter. Meneer Beer liep het tuinpad op en belde aan met zijn elleboog, zodat hij niet alles onder zou doen bloedden, want het verbandje had het inmiddels helemaal begeven. Even later deed de dokter open.
"Meneer Beer, wat doet u hier rond dit tijdstip?"
"Dokter Blobvis, ik vrees dat er een onnatuurlijk gat in mijn hand is ontstaan door glas."
"Hemeltje lief, meneer Beer. Ik zie dat u veel bloed hebt verloren, komt u maar snel mee naar binnen." zei dokter Blobvis.
Niet al te lange tijd na de binnenkomst van meneer Beer zaten meneer Beer en dokter Blobvis samen aan tafel terwijl dokter Blobvis de wond van meneer Beer aan het behandelen was.
"Vertelt u eens, meneer Beer, hoe heeft u deze wond opgelopen?"
"Dat zal ik u vertellen, dokter Blobvis. Ik liep met een aantal voorwerpen rond, waaronder een glas, en toen viel ik en bezeerde ik mijn hand."
"Misschien is het een goed idee om de volgende keer minder voorwerpen tegelijk rond te dragen, of om het te laten doen door mevrouw Beer."
"Misschien heeft u gelijk, dokter Blobvis." antwoordde een licht beschaamde meneer Beer.
"Hmhm..." humde dokter Blobvis terwijl hij compleet gefocust was op het verzorgen van de wond. Zijn bekwame handen legde een verband aan dat zodanig sterk was dat meneer Beer zich afvroeg of hij geen handschoen aanhad.
"Wauw, dank u wel dokter Blobvis!"
"Graag gedaan, meneer Beer. Komt u over twee dagen maar weer terug. Dan kan ik even controleren hoe het met uw wond staat."
Meneer Beer wilde dokter Blobvis een hand geven, maar bedacht zich dat die juist ingepakt was en gaf hem daarom maar de andere hand. Dokter Blobvis lachte vriendelijk en liet meneer Beer er weer uit.

Toen meneer Beer weer buiten was was het overduidelijk dat de nacht zijn intrede had gemaakt. Mevrouw Paard haalde aan de overkant van de straat haar was van de lijn, want was droogt toch niet met deze temperaturen. Meneer Beer aanschouwde dit en keek vervolgens naar beneden. Hij zag hoe zijn ingepakte hand maagdelijk wit was en bijna gloeide in de duisternis van de avond. Meneer Beer zuchtte eens en zette koers huiswaarts. Na een paar passen hoorde hij echter een auto achter zich rijden welke afremde.
"Toet toet!" riep een bekende stem uit het raam. Meneer Beer keek om en zag dat het meneer Papegaai was.
"Meneer Papegaai! Hoe maakt u het?"
"Meneer Papegaai! Hoe maakt u het? O... nee... wacht wacht! Ik bedoelde te zeggen: Goed, meneer Beer, hoe maakt u het?, maar toen zag ik dat verband om uw hand en viel ik weer een beetje terug in mijn oude ik. Hoe komt dat met uw hand, meneer Beer?"
"Ik ben thuis gevallen, meneer Papegaai, en toen viel ik met mijn hand in het glas. Daarna ben ik dus naar dokter Blobvis gegaan om medische hulp te krijgen. Dus vandaar, meneer Papegaai."
"Vandaar, meneer Beer. Mag ik u een lift aanbieden naar uw huis?"
"Oh, maar meneer Papegaai, ik wil u niet tot last zijn hoor."
"Dat bent u ook niet, meneer Beer! Ik ben immers bakker en dus moet ik zo al in mijn bakkerij zijn om aan het brood te beginnen."
"Dat is waar ook, meneer Papegaai. Dat was mij even ontschoten."
"Dus meneer Beer, stapt u maar in." En dus stapte meneer Beer in de bolide van meneer Papegaai.
"Meneer Papegaai, hoe gaat het met uw logopedie?"
"Zeer goed, meneer Beer. Alleen als ik ergens van schrik of van opkijk wil ik nog wel eens terugschieten in mijn oude zelf, maar mevrouw Konijn verstaat haar vak goed."
"Mevrouw Konijn?" vroeg meneer Beer verbaasd, "Ik wist niet dat zij uw logopediste was, meneer Papegaai."
"Wist u dat niet, meneer Beer? U woont toch naast haar?"
"Dat klopt, meneer Papegaai."
"Praat u soms nooit met haar, meneer Beer?"
"Oh, jawel hoor, meneer Papegaai, maar onze gesprekken zijn veelal oppervlakkig. Ik ben er zelfs zeker van dat ik mevrouw Konijn niet bij haar voornaam kan noemen, moet u eens nagaan, meneer Papegaai."
"Dat vind ik spijtig om te horen, meneer Beer. Misschien moeten u en mevrouw Beer eens gezellig op de koffie gaan bij mevrouw Konijn. Bovendien is mevrouw Konijn een prettige verschijning, als u begrijpt wat ik bedoel." zei meneer Papegaai terwijl hij meneer Beer aantikte met zijn elleboog en knipoogde.
"Dat is inderdaad zo, meneer Papegaai. Mevrouw Konijn is in ieder geval een prettiger wezen om te zijn dan dokter Blobvis. Wat een neus heeft die man."
"Inderdaad, meneer Beer. Ik vorm mijn broden zelfs naar de neus van meneer Blobvis. Moet u eens nagaan!"
"Meent u dat nou, meneer Papegaai?"
En zo kletsten meneer Beer en meneer Papegaai nog een stuk verder. Het leek wel alsof mevrouw Beer met haar moeder aan de telefoon zat, dacht meneer Beer. Zo veel had meneer Beer al in geen jaren gepraat met meneer Papegaai, of met wie dan ook.
"Best fijn..."
"Wat zegt u, meneer Beer?"
"Oh, niks, meneer Papegaai."
"Volgens mij woont u hier, meneer Beer."
"Dat klopt, meneer Papegaai. Ik dank u voor de lift!"
"Graag gedaan, meneer Beer!" Meneer Beer smeet de deur van de wagen van meneer Papegaai dicht en zwaaide met zijn witte hand meneer Papegaai na. Meneer Papegaai toeterde nog even en reed de straat van meneer Beer weer uit.

Meneer Beer liep het tuinpad op en zag dat het licht in de huiskamer nog brandde. Mevrouw Beer zal wel doodongerust zijn, dacht meneer Beer. Zo is mevrouw Beer nou eenmaal. Toen meneer Beer halverwege zijn tuinpad was zag hij plotseling dat het licht op de bovenverdieping van het huis van mevrouw Konijn aanging. Meneer Beer wilde een conversatie met mevrouw Konijn ontwijken en liep net even ietsjes harder naar zijn voordeur, maar het mocht niet meer baten.
"Meneer Beer!" semi-fluisterde mevrouw Konijn vanuit haar slaapkamerraam, "Wat doet u buiten rond deze tijd van de nacht?"
"Niets, bijzonders, mevrouw Konijn." fluisterde meneer Beer terug naar mevrouw Konijn.
"Wilt u de volgende keer niet zoveel lawaai maken bij uw thuiskomst, meneer Beer?"
"Het spijt mij, mevrouw Konijn. Het zal niet meer gebeuren. Welterusten, mevrouw Konijn." zei meneer Beer terwijl hij zwaaide met zijn gewonde hand. Mevrouw Konijn was eerst van plan om meneer Beer een welterusten terug te wensen, maar schrok van het witte verband op de hand van meneer Beer.
"Meneer Beer, wat is er met uw hand gebeurd?"
"Het is niets ernstigs, mevrouw Konijn, maar dat leg ik een andere keer wel uit. Dan kunt u mij gelijk uitleggen waar die mysterieuze witte plukken van laatst vandaan kwamen. Gaat u nu maar weer slapen. Welterusten, mevrouw Konijn."
"Dat doen we, meneer Beer. Dan nodig ik u wel uit voor een stukje appeltaart met een glas koude halfvolle melk."
"Ja ja, het is goed, mevrouw Konijn. Gaat u nu maar slapen."
"Welterusten, meneer Beer. Dan zie ik u zo in dromenland." sloot mevrouw Konijn af met een knipoog alvorens ze haar slaapkamerraam weer sloot. Meneer Beer slikte eens een keer en stapte toen eindelijk zijn woning binnen. Hij hing zijn jas op aan de kapstok en ging bij mevrouw Beer op de bank zitten om haar gerust te stellen. Het was immers maar gewoon een vleeswondje en daar bezwijken maar weinigen aan.
"En zeker niet zo'n grote, sterke en stoere meneer Beer." voegde mevrouw Beer daar aan toe. Meneer Beer moest glimlachen om de opmerking van mevrouw Beer.
"Wat ben je toch ook een prachtvrouw. Kom, we gaan naar bed."
En zo geschiedde.

maandag 11 april 2011

Meneer Beer en het mysterie van de witte plukken

Wederom een episode van meneer Beer die hier nog niet stond.
____________________________________

De volgende dag werd meneer Beer wakker in het bed van hem en zijn vrouw. Met de grootste moeite probeerde meneer Beer zijn ogen te openen en het werd hem niet gemakkelijk gemaakt door de felle ochtendzon. Meneer Beer draaide van het raam weg en probeerde het nogmaals. Toen deze poging wel lukte merkte meneer Beer op dat mevrouw Beer niet meer in bed lag. Omdat meneer Beer net wakker was en zijn geheugen nog niet op volle toeren draaide krabde meneer Beer eens op zijn hoofd en vroeg hij zich af waar mevrouw Beer toch was gebleven. Dat ze naar beneden was gegaan leek meneer Beer niets dan logisch, gezien hij de douche niet hoorde. Wat zou mevrouw Beer anders doen op de bovenverdieping? Meneer Beer probeerde al geeuwend rechtop te zitten, maar kwam tot de conclusie dat dit misschien een beter idee was als zijn bovenlichaam in de richting van de rand van het bed lag. Zonder erbij na te denken draaide meneer Beer zich weer om en ging hij rechtop zitten. Omdat het nog steeds niet lang geleden was dat meneer Beer ontwaakte uit zijn slaap en zijn geheugen nog niet op volle toeren draaide, was meneer Beer al helemaal vergeten dat de felle ochtendzon zijn ogen prikkelde en dat hij daarom de andere kant op lag. Meneer Beer bedekte snel zijn ogen, ging staan en draaide zich weer om. Inmiddels viel het meneer Beer ook op dat de druk op zijn blaas aan het vergoten was. Meestal gaf dit aan dat het tijd was om naar de wc te gaan, dus dat deed Meneer Beer dan ook maar. Gewoon maar overal je uitwerpselen uitwerpen geeft ook weer rommelige situaties. En de vlekken zouden bovendien ook maar wat moeilijk uit het dure tapijt komen. Om deze situaties te voorkomen wandelde meneer Beer naar het toilet toe en ging hij zitten. Meneer Beer was immers nog maar net wakker en dan staat hij nog niet zo stevig. Terwijl meneer Beer zijn ding deed viel het hem op dat de badkamer schoner dan gebruikelijk was. Zelfs de tandenborstels van meneer en mevrouw Beer waren aan het glimmen. Het was ook rond deze tijd dat meneer Beer gezang hoorde vanuit een kamer op de begane grond. Het leek erop dat mevrouw Beer in een goede bui was.

Nadat meneer Beer zich opgefrist en in de kleren gehesen had ging hij naar beneden toe, alwaar hij mevrouw Beer bij de eettafel zag staan. Hij wenste mevrouw Beer een goedemorgen en zag tot zijn verbazing dat de eettafel vol stond met de favoriete eetwaren welke meneer Beer graag als ontbijt heeft.
"Vanwaar deze verwennerij?" vroeg een verbaasde meneer Beer aan mevrouw Beer.
"Och, ik hou ervan om mijn meneer Beer lekker te verwennen." antwoordde mevrouw Beer met een glimlach van oor tot oor. Meneer Beer gaf mevrouw Beer een kus op haar wang en besloot om maar eens te beginnen aan de lekkernijen die mevrouw Beer voor hem klaar had gemaakt.
"Ik moet zeggen, dit is werkelijk verrukkelijk." complimenteerde meneer Beer mevrouw Beer. Mevrouw Beer bleef glimlachen terwijl zij tegenover meneer Beer zat en ook wat at. Meneer Beer vermoedde zelfs dat mevrouw Beer aan het blozen was, maar door de dikke berenvacht kon je dat toch niet zien.

Meneer en mevrouw Beer waren bijna klaar met het lucratieve ontbijt toen plotseling de deurbel ging.
"Wie kan dat nu zijn rond dit tijdstip?" vroeg mevrouw Beer terwijl ze naar de voordeur liep.
"Dag mevrouw Beer, is meneer Beer ook thuis?" hoorde meneer Beer een bekende stem bij de voordeur vragen. Het was meneer Axolotl.
"O nee..." kreunde meneer Beer zachtjes terwijl mevrouw Beer meneer Axolotl naar meneer Beer bracht.
"Meneer Axolotl is hier." zei mevrouw Beer tegen meneer Beer.
"Goedemorgen meneer Beer. Ik zat nog eens na te denken over het hele voorval van gisterenmiddag, meneer Beer."
"Op welk voorval doelt u, meneer Axolotl?"
"Dat zal ik u haarfijn uitleggen, meneer Beer. Ik doel op de situatie met uw auto die niet wilde starten. Ik vrees dat het toch de verschrikkelijke sneeuwman was..." Meneer Beer onderbrak meneer Axolotl.
"Meneer Axolotl, hoe komt u toch bij zulke onzin?"
"Luister, meneer Beer, u denkt vast dat ik, die oude meneer Axolotl, u maar wat wijs probeer te maken, maar ik ben serieus. Zojuist liep ik langs de garage van meneer Octopus, maar meneer Octopus was nergens te bekennen. Ook bij de bakkerij van meneer Papegaai was het doodstil. Onderweg dacht ik ook telkens plukjes witte vacht te zien liggen en nergens kon ik een twee euro munt op straat vinden. Nergens, meneer Beer! Hoe is dat nu toch mogelijk?!"
"Meneer Axolotl, denkt u eens na! Welke dag was het gisteren?"
"Zaterdag, meneer Beer."
"Inderdaad, meneer Axolotl. Dus waarom is meneer Octopus niet in zijn garage en waarom is meneer Papegaai niet in zijn bakkerij? Dat zal ik u uitleggen, meneer Axolotl. Ze zijn daar niet omdat het zondag is." Meneer Axolotl begon bedenkelijk te kijken, hij kriebelde aan zijn baard en leek warempel na te denken.
"Meneer Beer," sprak meneer Axolotl, "daar heeft u een heel goed punt. Ik acht het zeer waarschijnlijk dat zij om die reden niet aanwezig zijn. Excuses, meneer Beer, dat ik het ontbijt van mevrouw Beer en u zo stuntelig moest verstoren. Een fijne dag nog meneer Beer." zei meneer Axolotl alvorens weer weg te gaan.
"U ook nog een fijne dag, meneer Axolotl." antwoordde meneer Beer al zuchtend.

Mevrouw Beer moest een beetje grinniken om de verschijning van meneer Axolotl, terwijl ze begon aan het afruimen van de eettafel. Ze had nauwelijks de eerste eettafelaccessoires op het aanrecht gezet of de deurbel ging alweer. En verrek, daar stond meneer Axolotl weer.
"Wat is er, meneer Axolotl? Heeft u iets laten liggen?"
"Nee, meneer Beer, ik vroeg mij af of u dit ook kan verklaren." antwoordde meneer Axolotl terwijl hij dikke witte plukken uit zijn jaszakken haalde.
"Ik neem aan, meneer Beer, dat dit niet van de familie IJsbeer is." zei meneer Axolotl. Meneer Beer pakte de dikke plukken vast en begon zich af te vragen van wie deze dikke plukken zouden kunnen zijn.
"U ziet, meneer Beer, dat deze plukken identiek zijn aan de pluk die meneer Octopus gisteren uit uw motor haalde."
"Daar lijkt het inderdaad op, meneer Axolotl. Maar bent u er zeker van dat dit afkomstig is van de verschrikkelijke sneeuwman? Zou het niet kunnen zijn dat er een familie Poolvos hier is komen wonen?"
"Ik heb mijn twijfels aan dergelijke beweringen, meneer Beer. Dit type vacht doet mij meer denken aan een soort mensaap, maar voor zover ik weet hebben ze bij de familie Orang-Oetan geen albino's."
"Nu u het zegt, meneer Axolotl, de textuur van deze vacht deed mij ook al aan zulks denken. Zullen wij anders voor de zekerheid even navragen bij de familie Orang-Oetan of zij de laatste tijd toevallig een albinofamilielid over de vloer hebben gehad?"
"Ik denk dat dat een goed plan is, meneer Beer." Meneer Beer pakte zijn jas, deelde aan mevrouw Beer mee dat hij even met meneer Axolotl op onderzoek uitging en even later liepen meneer Beer en meneer Axolotl samen over straat richting het huis van de familie Orang-Oetan. Meneer Beer en meneer Axolotl liepen het tuinpad van de betreffende familie op en meneer Beer merkte dat meneer Axolotl moeite had om bij de deurbel te komen, dus meneer Beer bukte en drukte zelf even op de bel. Hoe meneer Axolotl het wel voor elkaar kreeg om bij meneer Beer op de bel te drukken is meneer Beer een raadsel, gezien die een stukje hoger hangt dan deze bel. Hoe dan ook, enkele seconden later opende meneer Orang-Oetan de deur en meneer Axolotl haalde meteen het witte vacht uit zijn zakken.
"Euh... goedemorgen meneer Axolotl... meneer Beer..." zei een verbaasde meneer Orang-Oetan.
"Hoe kan ik u van dienst zijn?"
"Meneer Orang-Oetan," begon meneer Axolotl, "het schijnt dat de verschrikkelijke sneeuwman hier in de stad rondloopt, maar meneer Beer hier heeft zo zijn twijfels. Dit zijn vermoedelijke plukken haar van een mensaap, dus meneer Beer vroeg zich af of u ook familieleden heeft die albino's zijn en die bovendien in de laatste dagen nog op bezoek zijn geweest bij u."
"De verschrikkelijke sneeuwman?! Waarom denkt u dat? We hebben hier helemaal geen sneeuw. Waarom zou die hier zijn? En om uw vraag te beantwoorden: Nee, wij hebben geen albinofamilieleden die bovendien in de laatste dagen nog op bezoek zijn geweest. Ik vind dit een rare situatie, heren. Misschien moeten jullie agent Bromvlieg maar op de hoogte stellen. Goedendag." sloot meneer Orang-Oetan af.
"Daar heeft meneer Orang-Oetan inderdaad een punt, meneer Axolotl, wij hebben hier geen sneeuw. Wat zou de verschrikkelijke sneeuwman hier dan doen?"
"Maar Watson... euh... ik bedoel, maar meneer Beer, hij komt hier natuurlijk om te bedelen! En in het bijzonder bij mij, omdat ik niet toe wil geven."
"Meneer Axolotl, ik weet het niet hoor. Ik vind het allemaal maar vergezocht. Maar misschien moeten we toch maar even langs agent Bromvlieg gaan om het te melden." En zo gingen meneer Beer en meneer Axolotl naar agent Bromvlieg toe.

"Verdraaid." riep agent Bromvlieg toen hij wederom met zijn vleugels vastzat in de klapdeurtjes bij de balie. Meneer Beer en meneer Axolotl kwamen binnenlopen toen agent Bromvlieg zich al vallend uit zijn benarde situatie redde. Wat meneer Beer en meneer Axolotl echter niet zagen is dat agent Bromvlieg eerst vastzat, waardoor ze dachten dat agent Bromvlieg gewoon tegen de vlakte ging.
"Mijn hemel!" riep een geschockeerde meneer Beer.
"Agent Bromvlieg, is alles in orde?"
"Euh... jawel." sprak agent Bromvlieg terwijl hij weer opstond.
"Zegt u het eens, meneer Beer, wat kan ik voor u doen?"
"Dat zal ik wel even uitleggen, agent Bromvlieg." sprak meneer Axolotl.
"Agent Bromvlieg," begon meneer Axolotl, "het schijnt dat de verschrikkelijke sneeuwman hier in de stad rondloopt, maar meneer Beer hier heeft zo zijn twijfels. Dit zijn vermoedelijke plukken haar van een mensaap, dus meneer Beer vroeg zich af of de familie Orang-Oetan ook familieleden had die albino's zijn en die bovendien in de laatste dagen nog op bezoek zijn geweest, maar dit bleek niet het geval te zijn." Agent Bromvlieg keek eerst vol verbijstering naar meneer Axolotl om vervolgens langzaam maar zeker in lachen uit te barsten.
"Hahahaha! De verschrikkelijke sneeuwman! Hahahaha! Hohohoho! Ik kom niet meer bij! Kom nou, meneer Axolotl, gaat u die onzin toch alstublieft ergens anders verkopen. Hier op het politiebureau hebben wij het al druk genoeg met het pakken van boeven."
"Pakt u boeven op het politiebureau?" vroeg meneer Axolotl met een zekere aanwezigheid van cynisme in zijn vraag.
"Ja.. nee... U begrijpt wel wat ik bedoel. En nu eruit, meneer Axolotl." beval agent Bromvlieg meneer Axolotl. Terwijl meneer Axolotl en meneer Beer weer naar buiten wilden lopen riep agent Bromvlieg meneer Beer terug.
"Zeg, meneer Beer."
"Ja, agent Bromvlieg?"
"Waarom hangt u eigenlijk rond met meneer Axolotl? Heeft u soms problemen thuis dat u op nota bene een zondag met meneer Axolotl rondhangt?"
"Welnee, agent Bromvlieg. Ik vond het gewoon wat raar dat er overal witte plukken haar lagen en probeerde er, samen met meneer Axolotl, een verklaring voor te zoeken."
"Meneer Beer, denkt u niet dat meneer Axolotl die plukken met opzet heeft neergelegd om gewoon wat aandacht te krijgen van u of iemand anders die naar hem wilde luisteren?"
"Welnee, agent Bromvlieg, ik weet ook wel dat meneer Axolotl niet helemaal helder is, maar tot zoiets acht ik hem niet in staat."
"Ik wel, meneer Beer. Ik zou maar oppassen voor zulke rare praat. Wie weet steekt hij u aan met zijn gekte." grapte een ongelovige agent Bromvlieg. Meneer Beer begon te denken dat agent Bromvlieg wellicht een goed punt had en besloot om aan meneer Axolotl mede te delen dat hij maar weer eens op huis aan zou gaan.

"Meneer Axolotl, ik weet verder niet hoe ik u kan helpen en eigenlijk zou ik de rest van mijn vrije dag wel met mevrouw Beer door willen brengen als u het niet erg vindt."
"Meneer Beer, ik begrijp het. Ik wil in ieder geval zeggen dat ik het waardeer dat u deze moeite voor mij heeft gedaan. Kom, ik zal u wel escorteren tot aan uw huis."
"Dat is goed, meneer Axolotl." antwoordde meneer Beer, en dus gingen meneer Beer en meneer Axolotl samen naar het huis van meneer Beer toe. Terwijl meneer Beer en meneer Axolotl bijna weer bij het huis van meneer Beer aankwamen kwam mevrouw Konijn heel toevallig naar buiten gelopen.
"Goedemiddag meneer Beer. Wat doet u hier buiten met meneer Axolotl?"
"Goedemiddag mevrouw Konijn. Wij hebben als het ware een stukje gewandeld en we hebben geprobeerd om het mysterie van de witte plukken op te lossen." Toen mevrouw Konijn de witte plukken zag puilden haar ogen lichtjes uit en kreeg ze een rode gloed over haar wangetjes. Een wel zodanige kleur rood dat het zelfs door haar donzige vachtje heen te zien was.
"Meneer Beer... ik vrees dat ik wel kan verklaren waar vandaan komt..."
"Is het de verschrikkelijke sneeuwman, mevrouw Konijn?!" vroeg een enthousiaste meneer Axolotl.
"Welnee, meneer Axolotl. Maar, meneer Beer, u ziet eruit alsof u kilometers heeft gelopen. Waarom komt u niet mee naar binnen? Toevallig wil het zo zijn dat ik nog wat appeltaart heb liggen en melk is er ook nog. Dan kan ik u tegelijkertijd uitleggen waar de witte plukken vandaan komen."
"Als u het niet erg vindt, mevrouw Konijn, spendeer ik de rest van deze zondag liever met mevrouw Beer. Ik ben al een groot deel van deze dag buiten geweest en ik denk dat mevrouw Beer het wel kan waarderen dat ik gezellig met haar op de bank ga zitten."
"Dat is jammer, meneer Beer. Ik vind het jammer van de appeltaart, bovendien. Te veel appeltaart is niet goed voor mijn lijn, begrijpt u?"
"Dat begrijp ik, mevrouw Konijn, maar misschien wil meneer Axolotl wel met u mee. Hij is immers degene die geïnteresseerd is in de afkomst van de witte plukken en ik ben er zeker van dat appeltaart er ook wel ingaat bij meneer Axolotl."
"Daar heeft u gelijk in, meneer Beer." bevestigde meneer Axolotl.
"Dus, mevrouw Konijn, zullen we? Dan kan ik u gelijk al mijn anekdotes van mijn ontmoetingen met de verschrikkelijke sneeuwman vertellen." begon meneer Axolotl, terwijl hij mevrouw Konijn bij de hand nam en haar huis inliep. Meneer Beer glimlachte en zwaaide naar mevrouw Konijn terwijl zij met een lichte paniek in haar ogen omkeek naar meneer Beer. Meneer Beer zuchtte eens diep en ging zijn eigen huis ook maar in.

"Zo, mevrouw Beer, dat is ook weer achter de rug." zei meneer Beer tegen mevrouw Beer. Hij legde alles aan haar uit, sloeg zijn arm om haar heen en trok haar naar zich toe. Terwijl mevrouw Beer lekker tegen meneer Beer aanlag vertelde hij haar het einde.
"En van mevrouw Konijn horen we voorlopig vast ook weinig meer. Ik heb meneer Axolotl overtuigd om de overblijfselen van haar appeltaart te gaan nuttigen en hij stelde voor om al zijn anekdotes van zijn ontmoetingen met de verschrikkelijke sneeuwman te vertellen."
"Ohoh, Beertje toch! Wat gemeen..." giechelde mevrouw Beer.

vrijdag 8 april 2011

Sogkunst

soms vertoon ik studieontwijkend gedrag. in mijn geval wil dat zeggen dat ik paint open en begin te tekenen! ik teken vooral portretten van mensen die ik ken.
- Tessa.

Tessa maakt dus kunstwerkjes met Paint. Zo was ik ook één van haar slachtoffers. Als je hier klikt kom je op de hoofdpagina van het geheel, waar elke drie dagen een nieuwe kunstwerkje te bewonderen zal zijn.