vrijdag 15 april 2011

Meneer Beer moet naar de dokter

Nogmaals een oude meneer Beer.
_____________________
"Zucht..." zei Meneer Beer terwijl hij de televisie uitzette.
"Bolivia uit is altijd lastig."
"Liep het niet goed af?" vroeg mevrouw Beer bij binnenkomst.
"Nee, mevrouw Beer, maar dat kan je verwachten in Bolivia."
"Dat is waar, meneer Beer." antwoordde mevrouw Beer, terwijl ze verder ging met het afstoffen van de meubelen in huize Beer. Meneer Beer had echter in de gaten dat mevrouw Beer gewoon maar wat willekeurige taal uitsprak. Wat wist zij immers van sport, en kikkersmijten in het bijzonder?

Meneer Beer zuchtte nog een keer en keek naar de salontafel. Tijdens het aanschouwen van het kampioenschap op de beeldbuis had meneer Beer een aantal lekkernijen op die tafel gezet, met als doel om ze op te eten. De wedstrijd was echter zo spannend dat meneer Beer maar één toastje met brie heeft weg weten te werken. Meneer Beer zag een stuk brie met een kleine inkeping, een nauwelijks gebruikt mes liggen en een halfvol glas met water staan. Omdat de strijd al gestreden was en meneer Beer deze lekkernijen liever voor een andere keer wilde bewaren besloot hij om het hele handeltje maar naar de keuken te brengen, de brie goed af te sluiten en het mes bij de afwas neer te leggen. Mevrouw Beer zou het immers ook appreciëren dat meneer Beer eens wat deed terwijl zij druk was met het huishouden. Meneer Beer pakte alles met wat moeite vast en stond op.
"Pas je op, lieverd?" zei mevrouw Beer nog, maar dit was tevergeefs. Meneer Beer wandelde gestaag richting de keuken, maar zijn voet bleef achter de tafel hangen waardoor meneer Beer ten val kwam.
"Meneer Beer!" riep mevrouw Beer in paniek.
"Gaat het?!" vroeg ze geschrokken aan de gevloerde meneer Beer. Meneer Beer keek voor zich uit en zag dat het glas in een aantal stukken uit elkaar gespat was. De brie was wonderbaarlijk genoeg bovenop het bordje blijven liggen en het was zelfs met de brie naar boven op de grond gevallen. Terwijl meneer Beer mevrouw Beer gerust wilde stellen en wilde zeggen dat hem niets mankeerde voelde hij plotseling een steek in zijn hand.
"Verdraaid." zei meneer Beer.
"Wat is er, meneer Beer?" vroeg een geschrokken mevrouw Beer aan haar wederhelft.
"Mevrouw Beer, het lijkt erop dat er een stuk glas in mijn hand zit. Kunt u even een doekje pakken?" Meneer Beer bleef ijzig kalm terwijl mevrouw Beer naar de verbanddoos snelde en er een stuk rekverband uitsjorde.
"Meneer Beer, u moet naar een dokter!"
"Inderdaad, dit ziet er niet best uit. Belt u de dokter maar alvast, dan ga ik snel die kant op." stelde meneer Beer voor. Mevrouw Beer stemde in en enkele momenten later stond meneer Beer buiten, met een slap rekverbandje om zijn hand.
"Wees voorzichtig onderweg!" riep mevrouw Beer haar partner nog na. Meneer Beer draaide om en glimlachte naar mevrouw Beer.
"Dat zal ik doen. Tot straks, mevrouw Beer!"

De minuten verstreken en meneer Beer was al een aardig eind op weg naar het huis van de dokter. Plots hoorde meneer Beer een bekende stem naast zich.
"Als ik het al niet dacht!" riep de stem. Het was meneer Axolotl die voorover stond gebukt op een grasveld.
"Meneer Axolotl? Wat doet u daar?"
"Meneer Beer! Gegroet! Dit is precies wat ik dacht dat het was!"
"Wat ziet u daar dan, meneer Axolotl?"
"Gras natuurlijk, meneer Beer." antwoordde meneer Axolotl niet geheel onverwachts. Hij stond immers op een grasveld. Meneer Beer zuchtte diep en besloot dan uit aardigheid maar te vragen wat er zo bijzonder was aan dat gras.
"Meneer Axolotl, wat is er dan zo bijzonder aan dat gras dat u het van naderbij aan het inspecteren bent?"
"Dat zal ik u eens haarfijn uitleggen, meneer Beer. Dit gras is namelijk deels platgedrukt, en bovendien in zo'n patroon dat het lijkt alsof er een uitermate groot wezen over dit grasveld is komen lopen. Ik ben er bang voor... Maar... Maar meneer Beer, wat heeft u daar?"
"Wat heb ik waar, meneer Axolotl?"
"Daar, meneer Beer, om uw hand. Is dat verband?"
"Dat is het zeker, meneer Axolotl."
"Mag ik u iets vragen, meneer Beer?"
"Dat mag u zeker, meneer Axolotl."
"Hoe komt het dat uw hand in het verband zit, meneer Beer? Heeft u soms een slaande ruzie met uw echtgenote gehad waarbij zij u verwondt heeft?"
"Welnee, meneer Axolotl."
"Was het dan de verschrikkelijke sneeuwman die u iets heeft aangedaan, meneer Beer?"
"Welnee, meneer Axolotl. Ik liep met een aantal voorwerpen rond, waaronder een glas, en toen viel ik en bezeerde ik mijn hand. Dus nu ben ik op weg naar de dokter zodat hij mijn hand nader kan inspecteren."
"Dat klinkt al beter dan de situaties welke ik voorstelde, maar ook de waarheid klinkt niet al te prettig, meneer Beer. Ik stel voor dat u uw weg naar de dokter voortzet om die wond van u te laten bekijken. Sterkte nog, meneer Beer."
"Dank u wel, meneer Axolotl." antwoordde meneer Beer en hij volgde het advies van meneer Axolotl op, ook al was meneer Beer dat sowieso al van plan.

Meneer Beer kwam alsmaar dichter bij zijn bestemming, maar hij kreeg nu door dat het door mevrouw Beer in paniek aangelegde rekverbandje de taak van bloedvanger niet langer kon vervullen. Om de haverklap moest meneer Beer even pauzeren om het verband weer even aan te trekken, zodat de kleren van meneer Beer en de straten van zijn woonplaats niet onder het bloed kwamen te zitten. Toch lukte het één druppel om te ontsnappen aan het verbandje en die druppel kwam op de jas van meneer Muis terecht.
"Meneer Beer, past u toch eens op! Ik heb er schoon genoeg van dat u mij telkens onderkwijlt!"
"Mijn excuses, meneer Muis, maar deze keer is het geen kwijl." Meneer Muis keek op zijn jas en zag inderdaad iets anders dan kwijl.
"MENEER BEER!" schreeuwde een bange meneer Muis. "Dat is bloed!"
"Dat klopt, meneer Muis."
"Het komt uit uw hand, meneer Beer! U moet naar een dokter toe!"
"Doet u maar rustig, meneer Muis, daar was ik namelijk al naartoe aan het lopen. Kan ik u even een zakdoekje aanbieden zodat u mijn bloed van uw jas kan afvegen?"
"Dat is aardig van u, meneer Beer. Geeft u het maar, ik veeg het zelf wel af. Straks zit ik nog meer onder het bloed en denkt agent Bromvlieg wellicht dat ik een delict gepleegd heb."
"Dat zal wel meevallen, meneer Muis." zei meneer Beer alvorens hij een zakdoekje overhandigde aan meneer Muis.
"Mag ik u wat vragen, meneer Beer?"
"Uiteraard, meneer Muis."
"Heeft u soms een slaande ruzie gehad met mevrouw Beer dat u nu aan het bloeden bent?"
"Welnee, meneer Muis. Ik liep met een aantal voorwerpen rond, waaronder een glas, en toen viel ik en bezeerde ik mijn hand. Dus nu ben ik op weg naar de dokter zodat hij mijn hand nader kan onderzoeken."
"Gelukkig maar, meneer Beer. Nou ja, ik ben natuurlijk niet blij dat u gewond bent, maar u begreep wel wat ik bedoelde."
"Dat denk ik wel, meneer Muis. Dan ga ik nu snel naar de dokter toe."
"Tot ziens, meneer Beer."
"Tot ziens, meneer Muis."

Na dit akkefietje met meneer Muis was meneer Beer dan eindelijk aangekomen bij het huis van de dokter. Meneer Beer liep het tuinpad op en belde aan met zijn elleboog, zodat hij niet alles onder zou doen bloedden, want het verbandje had het inmiddels helemaal begeven. Even later deed de dokter open.
"Meneer Beer, wat doet u hier rond dit tijdstip?"
"Dokter Blobvis, ik vrees dat er een onnatuurlijk gat in mijn hand is ontstaan door glas."
"Hemeltje lief, meneer Beer. Ik zie dat u veel bloed hebt verloren, komt u maar snel mee naar binnen." zei dokter Blobvis.
Niet al te lange tijd na de binnenkomst van meneer Beer zaten meneer Beer en dokter Blobvis samen aan tafel terwijl dokter Blobvis de wond van meneer Beer aan het behandelen was.
"Vertelt u eens, meneer Beer, hoe heeft u deze wond opgelopen?"
"Dat zal ik u vertellen, dokter Blobvis. Ik liep met een aantal voorwerpen rond, waaronder een glas, en toen viel ik en bezeerde ik mijn hand."
"Misschien is het een goed idee om de volgende keer minder voorwerpen tegelijk rond te dragen, of om het te laten doen door mevrouw Beer."
"Misschien heeft u gelijk, dokter Blobvis." antwoordde een licht beschaamde meneer Beer.
"Hmhm..." humde dokter Blobvis terwijl hij compleet gefocust was op het verzorgen van de wond. Zijn bekwame handen legde een verband aan dat zodanig sterk was dat meneer Beer zich afvroeg of hij geen handschoen aanhad.
"Wauw, dank u wel dokter Blobvis!"
"Graag gedaan, meneer Beer. Komt u over twee dagen maar weer terug. Dan kan ik even controleren hoe het met uw wond staat."
Meneer Beer wilde dokter Blobvis een hand geven, maar bedacht zich dat die juist ingepakt was en gaf hem daarom maar de andere hand. Dokter Blobvis lachte vriendelijk en liet meneer Beer er weer uit.

Toen meneer Beer weer buiten was was het overduidelijk dat de nacht zijn intrede had gemaakt. Mevrouw Paard haalde aan de overkant van de straat haar was van de lijn, want was droogt toch niet met deze temperaturen. Meneer Beer aanschouwde dit en keek vervolgens naar beneden. Hij zag hoe zijn ingepakte hand maagdelijk wit was en bijna gloeide in de duisternis van de avond. Meneer Beer zuchtte eens en zette koers huiswaarts. Na een paar passen hoorde hij echter een auto achter zich rijden welke afremde.
"Toet toet!" riep een bekende stem uit het raam. Meneer Beer keek om en zag dat het meneer Papegaai was.
"Meneer Papegaai! Hoe maakt u het?"
"Meneer Papegaai! Hoe maakt u het? O... nee... wacht wacht! Ik bedoelde te zeggen: Goed, meneer Beer, hoe maakt u het?, maar toen zag ik dat verband om uw hand en viel ik weer een beetje terug in mijn oude ik. Hoe komt dat met uw hand, meneer Beer?"
"Ik ben thuis gevallen, meneer Papegaai, en toen viel ik met mijn hand in het glas. Daarna ben ik dus naar dokter Blobvis gegaan om medische hulp te krijgen. Dus vandaar, meneer Papegaai."
"Vandaar, meneer Beer. Mag ik u een lift aanbieden naar uw huis?"
"Oh, maar meneer Papegaai, ik wil u niet tot last zijn hoor."
"Dat bent u ook niet, meneer Beer! Ik ben immers bakker en dus moet ik zo al in mijn bakkerij zijn om aan het brood te beginnen."
"Dat is waar ook, meneer Papegaai. Dat was mij even ontschoten."
"Dus meneer Beer, stapt u maar in." En dus stapte meneer Beer in de bolide van meneer Papegaai.
"Meneer Papegaai, hoe gaat het met uw logopedie?"
"Zeer goed, meneer Beer. Alleen als ik ergens van schrik of van opkijk wil ik nog wel eens terugschieten in mijn oude zelf, maar mevrouw Konijn verstaat haar vak goed."
"Mevrouw Konijn?" vroeg meneer Beer verbaasd, "Ik wist niet dat zij uw logopediste was, meneer Papegaai."
"Wist u dat niet, meneer Beer? U woont toch naast haar?"
"Dat klopt, meneer Papegaai."
"Praat u soms nooit met haar, meneer Beer?"
"Oh, jawel hoor, meneer Papegaai, maar onze gesprekken zijn veelal oppervlakkig. Ik ben er zelfs zeker van dat ik mevrouw Konijn niet bij haar voornaam kan noemen, moet u eens nagaan, meneer Papegaai."
"Dat vind ik spijtig om te horen, meneer Beer. Misschien moeten u en mevrouw Beer eens gezellig op de koffie gaan bij mevrouw Konijn. Bovendien is mevrouw Konijn een prettige verschijning, als u begrijpt wat ik bedoel." zei meneer Papegaai terwijl hij meneer Beer aantikte met zijn elleboog en knipoogde.
"Dat is inderdaad zo, meneer Papegaai. Mevrouw Konijn is in ieder geval een prettiger wezen om te zijn dan dokter Blobvis. Wat een neus heeft die man."
"Inderdaad, meneer Beer. Ik vorm mijn broden zelfs naar de neus van meneer Blobvis. Moet u eens nagaan!"
"Meent u dat nou, meneer Papegaai?"
En zo kletsten meneer Beer en meneer Papegaai nog een stuk verder. Het leek wel alsof mevrouw Beer met haar moeder aan de telefoon zat, dacht meneer Beer. Zo veel had meneer Beer al in geen jaren gepraat met meneer Papegaai, of met wie dan ook.
"Best fijn..."
"Wat zegt u, meneer Beer?"
"Oh, niks, meneer Papegaai."
"Volgens mij woont u hier, meneer Beer."
"Dat klopt, meneer Papegaai. Ik dank u voor de lift!"
"Graag gedaan, meneer Beer!" Meneer Beer smeet de deur van de wagen van meneer Papegaai dicht en zwaaide met zijn witte hand meneer Papegaai na. Meneer Papegaai toeterde nog even en reed de straat van meneer Beer weer uit.

Meneer Beer liep het tuinpad op en zag dat het licht in de huiskamer nog brandde. Mevrouw Beer zal wel doodongerust zijn, dacht meneer Beer. Zo is mevrouw Beer nou eenmaal. Toen meneer Beer halverwege zijn tuinpad was zag hij plotseling dat het licht op de bovenverdieping van het huis van mevrouw Konijn aanging. Meneer Beer wilde een conversatie met mevrouw Konijn ontwijken en liep net even ietsjes harder naar zijn voordeur, maar het mocht niet meer baten.
"Meneer Beer!" semi-fluisterde mevrouw Konijn vanuit haar slaapkamerraam, "Wat doet u buiten rond deze tijd van de nacht?"
"Niets, bijzonders, mevrouw Konijn." fluisterde meneer Beer terug naar mevrouw Konijn.
"Wilt u de volgende keer niet zoveel lawaai maken bij uw thuiskomst, meneer Beer?"
"Het spijt mij, mevrouw Konijn. Het zal niet meer gebeuren. Welterusten, mevrouw Konijn." zei meneer Beer terwijl hij zwaaide met zijn gewonde hand. Mevrouw Konijn was eerst van plan om meneer Beer een welterusten terug te wensen, maar schrok van het witte verband op de hand van meneer Beer.
"Meneer Beer, wat is er met uw hand gebeurd?"
"Het is niets ernstigs, mevrouw Konijn, maar dat leg ik een andere keer wel uit. Dan kunt u mij gelijk uitleggen waar die mysterieuze witte plukken van laatst vandaan kwamen. Gaat u nu maar weer slapen. Welterusten, mevrouw Konijn."
"Dat doen we, meneer Beer. Dan nodig ik u wel uit voor een stukje appeltaart met een glas koude halfvolle melk."
"Ja ja, het is goed, mevrouw Konijn. Gaat u nu maar slapen."
"Welterusten, meneer Beer. Dan zie ik u zo in dromenland." sloot mevrouw Konijn af met een knipoog alvorens ze haar slaapkamerraam weer sloot. Meneer Beer slikte eens een keer en stapte toen eindelijk zijn woning binnen. Hij hing zijn jas op aan de kapstok en ging bij mevrouw Beer op de bank zitten om haar gerust te stellen. Het was immers maar gewoon een vleeswondje en daar bezwijken maar weinigen aan.
"En zeker niet zo'n grote, sterke en stoere meneer Beer." voegde mevrouw Beer daar aan toe. Meneer Beer moest glimlachen om de opmerking van mevrouw Beer.
"Wat ben je toch ook een prachtvrouw. Kom, we gaan naar bed."
En zo geschiedde.

0 Bipsjes reageerden:

Een reactie plaatsen