Meneer Beer was een hele bijzondere beer. Toen hij nog op de lagere school zat, was hij de enige die al in groep vier met zijn ogen dicht vissen uit de rivier kon slaan. Zonder zelf in het water te vallen, nat te worden of een carpel tunnel syndroom in zijn pols te ontwikkelen. Dat is voor een beer uit groep vier heel erg knap. Hij kreeg daarvoor dan ook altijd een extra portie vis met mayonaise.
Meneer Beer las op een dag in de krant dat er verre landen waren waar bijna geen water was om in te zwemmen. Zo weinig zelfs dat je er niet eens je snuit mee kon poetsen. Zo weinig zelfs dat sommige dieren van dorst doodgingen. En meneer Beer, die vond dat natuurlijk verschrikkelijk erg. Daarom verzon meneer Beer een plannetje om ze te gaan helpen, en hij ging naar zijn vriendje meneer Das en vroeg hem hoe lang hij er over zou doen om samen met zijn familie in zo'n land een vijver te gaan graven. En natuurlijk wat dat zou gaan kosten. Meneer Das zei dat dat, plus reis- en verblijfskosten ongeveer honderd goudstukken zou zijn. Meneer Beer ging meteen aan de slag. Elke dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat stond hij bij de rivier om vissen uit het water te slaan. Beren zijn daar erg gek op. En omdat meneer Beer dat heel goed begreep, verzamelde hij stapeltjes vissen en bracht deze naar zijn huisje aan het water. Daarna verkocht hij die vissen elke woensdag- en zaterdagmiddag in zakjes waarin twee vissen zaten. Het was een verschrikkelijk slim idee, want vooral de wat oudere beren, die wat slecht te been waren, vonden dat erg handig. Na zes zomers had meneer Beer al zevenentachtig goudstukken bij elkaar gespaard.
De koning van het land was een heel merkwaardig dier. Hij wilde altijd ganzenborden, van heuvels rollen en in de limonade liggen. Regeren, dat vond hij maar niks, regeren vond hij saai en ouderwets. Maar op een dag zag de koning dat zijn geldkist bijna leeg was en hij riep zijn ministers om te vragen hoe dat nou kon.
"Tja," zeiden de ministers, "inderdaad en nu u het zegt. Met uw welnemen, onze schatkist is bijna leeg. Het was ons nog niet opgevallen."
"Zo. En wat gaat u daar aan doen?" zei de koning, "en een beetje vlug, want ik moet terug naar mijn ganzenbord. Heeft iedereen zijn belasting betaald?"
"Ja, koning," zeiden de ministers.
"Krijgen wij dan niet het één en ander uit het buitenland?"
"Nee, koning."
"Kunnen wij dan iets verkopen?"
"Wat dan? Alles is al verkocht, koning... behalve het paleis, het koninklijke ganzenbord en het limonadezw- Zeg koning! Misschien kunnen wij het limonadezwembad verkopen!"
"Wat een verschrikkelijk slecht idee," zei de koning, "geen sprake van!"
"Dan zullen we het moeten lenen, koning."
"Lenen? Van wie dan wel?"
"Wij hebben gehoord, koning, dat één van uw onderdanen, Meneer J. Beer, meer dan HONDERD goudstukken heeft, koning!"
"Het is niet waar," zei de koning, "ministers, wat hou ik van jullie! Ga ze dan ogenblikkelijk lenen!"
"En wanneer betalen we ze dan terug, koning?"
"Minister, dat zien wij wel."
Meneer Beer sprak met de ministers af dat de koning hem het geld over vier zondagen terug zou geven. Meneer Beer was natuurlijk geweldig trots dat de koning bij zo'n eenvoudige beer geld kwam lenen. Bovendien voelde hij zich een heel klein beetje belangrijk. Maar na zes zondagen had meneer Beer nog niets van de koning gehoord. En meneer Beer werd toch wel een heel klein beetje ongerust. Er zou toch niks gebeurd zijn? Toen hij na acht zondagen, stel je voor, ACHT zondagen nog niets gehoord had, werd meneer Beer toch wel een heel klein beetje ongerust. Meneer Beer dacht, weet je wat, ik ga naar het paleis en ik ga gewoon bij de koning vragen of ik mijn geld terug kan krijgen. Per slot van rekening, over een week al vertrekt de familie Das naar het verre land om een vijver te gaan graven en die kunnen toch niet zonder centjes weggaan? Stel je nou toch voor. Op een mooie, zonnige morgen ging meneer Beer welgemoed op pad.
Om de hoek kwam meneer Beer zijn persoonlijke vriend meneer Orang-Oetan tegen, die net zijn tanden aan het poetsen was.
Meneer Orang-Oetan zei: "Goedemorgen meneer Beer, waar gaat u zo vroeg naar toe?"
"Ik ga naar de koning, want ik wil mijn geld terug."
"Meneer Beer, zou ik met u mee mogen komen?" zei meneer Orang-Oetan, "ik zou zo graag de koning eens van dichtbij zien. En ze zeggen dat de koning waanzinnig goed kan ganzenborden, en u weet dat ik een enorme kampioen ben in ganzenborden, dus misschien kan ik het eens met de koning doen en misschien win ik dan wel van de koning."
Meneer Beer dacht, vrienden, vrienden kun je nooit genoeg bij je hebben, dus zei hij: "Meneer Orang-Oetan, rolt u zich maar zo klein mogelijk op en kruip in de binnenzak van mijn jas. Dan kan ik u zonder dat de koning u kan zien het paleis in smokkelen."
"Zeg meneer Beer, ik moet eerlijk zeggen, u bent nog slimmer dan ik," zei meneer Orang-Oetan. En hup, met een sprong verdween hij met zijn hele hebben en houden in de binnenzak van de jas van meneer Beer.
Een eindje verderop zag meneer Beer zijn vriend meneer Octopus met zijn tentakelwagen lekker op een parkeerplaats in de zon staan.
"Dag meneer Octopus, gaat u voor een zongebruinde lak?" vroeg meneer Beer.
"Nou," zei meneer Octopus, "als ik me regelmatig omkeer, lukt het best. En waar bent u zo vroeg op weg naar toe, meneer Beer?"
"Ik ga naar de koning, want ik wil nou eindelijk mijn geld eens terug."
"Zeg meneer Beer, kan ik met u mee? Het schijnt dat de koning een hele mooie bolide heeft en die zou ik weleens van dichtbij willen zien."
"Nou," zei meneer Beer, "maakt u zich klein, dan stop ik u in mijn jaszak." En met een mechanisch sprongetje verdween meneer Octopus met zijn tentakelwagen in de jaszak van meneer Beer. Toen meneer Beer over de heuvel liep zag hij plots zijn vriendin mevrouw Konijn uit het raam van haar huisje hangen.
"Dag meneer Beer! Komt u eindelijk gebruik maken van mijn aanbod om een lekkere appeltaart voor u te maken?"
"Helaas, mevrouw Konijn, ik moet als de wiedeweerga naar het paleis van de koning toe om mijn geld terug te vragen."
"Naar het paleis, meneer Beer? Ik heb gehoord dat de koning ook wel een lekkere appeltaart lust! Misschien kan ik op deze manier zo'n indruk maken op de koning dat ik zijn vaste appeltaartenbakster kan worden! Kunt u mij niet mee naar binnen smokkelen, meneer Beer?"
Meneer Beer zuchtte eens diep en ging na welke van zijn jaszakken nog leeg waren.
"Het spijt mij, mevrouw Konijn, maar het lijkt erop dat ik geen ruimte meer heb!"
"Maar meneer Beer, wat als ik nu eens op uw rug klim en mij onder uw jas verstop?"
"Dat is een goed idee, mevrouw Konijn! Springt u maar aan boord!" Eenvoudig klom mevrouw Konijn met haar appeltaart op de rug van meneer Beer.
En zo kwam meneer Beer met zijn onzichtbare vrienden meneer Orang-Oetan, meneer Octopus en mevrouw Konijn in de hoofdstad aan en liep hij regelrecht naar het paleis, waar hij heel voorzichtig drie keer op de deur klopte.
"Ik ben portier hier, mijn naam is jonkheer Papegaai, wat komt u doen?"
"Ik ben het, Meneer Jodocus Beer. Ik wil de koning spreken."
"Ik ben het, Meneer Jodocus Beer... oh, wacht eens..." zei jonkheer Papegaai, "dat was u, geloof ik. Maar de koning spreken? Ach! Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Zijne majesteit gaat zojuist dineren en wenst niet gestoord te worden."
"Zeg jonkheer Papegaai, zegt u maar dat ik het ben, meneer Beer. De koning weet wel waarover het gaat."
Dus ging jonkheer Papegaai naar de koning die net in een enorme tros druiven wilde bijten. En toen de koning hoorde dat meneer Beer voor de paleispoort stond, zei de koning: "Ja ja. Ik weet wel wie dat is. Laat hem maar binnenkomen. En donder hem dan meteen in het mierenhok. Daar zal hij zich het beste thuis voelen."
De paleisdeur zwaaide open en met opgeheven snuit stapte meneer Beer naar binnen.
"Deze kant uit, alstublieft," zei jonkheer Papegaai, "nog een stapje verder. Ja, nu bent u waar de koning u hebben wil." En met een klap viel het hek achter meneer Beer in het slot. Ja, maar dat kan toch niet, dacht meneer Beer. Wat moet ik nou in het mierenhok? Dat is vast een vergissing. Ik denk dat de koning een vergissing heeft gemaakt. Ik denk dat de koning misschien wel dacht dat ik een mier was. Of zou de koning dat expres hebben gedaan? Nee, dat doen koningen niet. Ik weet zeker dat koningen dat niet doen. Die doen... Wat doen die eigenlijk? En waarom zit ik dan in het kippenhok? Beren lijken toch niet op mieren?
"Koning! Koning! Ik zit in het kippenhok! Oehoe! Hé koning! Dat is toch niet goed, hè? Wat moet ik nou in het kippenhok?"
Zo'n driehonderdvijftig vrouwtjesmieren, zo'n zesduizenddrieëndertig larven, zo'n vijfenvijftig koninginnetjes en zevenenzeventig mannetjesmieren stonden op een afstandje een beetje merkwaardig naar meneer Beer te koekeloeren.
"Wat moet dat in ons hok?" vroeg een van de mannetjesmieren zich hardop af.
"Sinds wanneer is een beer ook een mier? Beren kunnen toch nooit zó hard als mieren werken! U kunt hier niet blijven hoor." zeiden de mieren in koor.
"Wij houden onze poten stijf, en blijft u toch, dan scheuren wij uw vacht van uw lijf!"
O jee, dacht meneer Beer, dit gaat helemaal niet goed aflopen. Plots bedacht hij zich dat hij meneer Orang-Oetan nog in zijn jaszak had zitten. Die hield zo op zijn eigen manier wel van mieren. Dus meneer Beer riep: "Eruit! Eruit, meneer Orang-Oetan! En sla er flink op los!" Meneer Orang-Oetan liet zich dat geen twee keer zeggen, kwam uit de jaszak van meneer Beer gerold en vrat alle mieren stuk voor stuk op. Meneer Beer zag dit en zong:
Brom brom brom, ik ben wel goed, maar ik ben niet dom!
De koning, die net een banaan wilde eten, hoorde meneer Beer zingen en even later kwam de tuinman aanrennen om te vertellen dat alle mieren waren opgegeten. De koning werd razend.
"Gooi die beer ogenblikkelijk in een diepe put. Ik word verschrikkelijk moe van die beer. En laat ik hem nooit meer horen!"
De dienaren van de koning grepen meneer Beer bij zijn kraag en aan zijn vacht en smeten hem in de diepste put die ze konden vinden. Wanhopig staarde meneer Beer omhoog en hij vroeg zich af hoe hij ooit tegen die glibberige wanden omhoog zou kunnen klimmen. Maar ineens dacht hij aan zijn vriend meneer Octopus.
"Meneer Octopus! We gaan eraan als uw tentakelwagen ons niet omhoog kan takelen!" En hup! Meteen kwam meneer Octopus met zijn tentakelwagen voor de dag en slingerde hij de haak van zijn tentakelwagen over de rand van de put en meneer Beer klauterde vlug naar boven en sprong in het gras en begon harder dan ooit te zingen:
Brom brom brom, ik ben wel goed, maar ik ben niet dom!
De koning nam een hapje van zijn chocoladereep, maar verslikte zich bijna toen hij meneer Beer wederom hoorde zingen.
"Welverdraaid!" schreeuwde hij. "Ministers, wij gaan die beer eens flink te grazen nemen!" en samen met zijn ministers rende de koning op meneer Beer af. Oh jeetje, dacht meneer Beer, ik moet iets verzinnen! Plots bedacht hij zich dat mevrouw Konijn en haar appeltaart nog altijd op zijn rug zaten verstopt.
"Mevrouw Konijn, laat ze een appeltaartje ruiken!" riep meneer Beer. Mevrouw Konijn liet zich onder de jas van meneer Beer doorglijden en verscheen met een appeltaart in haar handen voor de neuzen van de koning en zijn ministers.
"Mijn hemel, dat ruikt heerlijk!" riep de koning, terwijl het kwijl uit zijn mond stroomde. Opeens schoot meneer Beer iets te binnen. Hij griste de appeltaart uit de handen van mevrouw Konijn en alsof het een frisbee was gooide meneer Beer de appeltaart uit het raam van het paleis. De koning was zo geobsedeerd door de heerlijk ruikende appeltaart dat hij vergat dat het raam op de elfde verdieping zat, waardoor hij naar beneden stortte en bij aankomst op de grond morsdood was. In een poging om de koning te redden volgden de ministers hem de afgrond in, waar ze er halverwege achterkwamen dat ze niet konden vliegen, waardoor ook zij allemaal om het leven kwamen.
Intussen hadden de dienaren en het volk de koning en de ministers op straat gevonden. Gevolgd door een hele menigte rende iedereen naar de troonzaal om te zien wat er gebeurd was. Daar vonden ze, tot hun grote verbazing en opluchting, een andere koning op de troon: Meneer Jodocus Beer.
"De koning is dood, leve de koning! De koning is dood, leve de koning!" riep iedereen.
Een paar dienaren waren naar beneden gerend en kwamen terug met de gouden kroon van de overleden koning, die tweehonderdtwintig kilo woog. Ze zetten hem op het hoofd van meneer Beer, maar daarna kwamen de dienaren voor een nieuw probleem te staan. Mevrouw Konijn was door de enorme drukte een beetje bang geworden en klampte zich stevig vast aan meneer koning Beer.
"U bent vast de koningin!" riepen de dienaren. Snel werden twee van hen naar zolder gestuurd om een tiara voor mevrouw Konijn te halen.
"Leve de koning! Leve de koningin!"
"Hmm meneer Beeeer..." stamelde een wakkerwordende mevrouw Konijn terwijl ze haar kussen stevig in haar handen hield. Ze wreef eens in haar ogen, rekte zich eens uit en ging rechtop zitten. Plots hoorde ze buiten een geluid. Mevrouw Konijn liep naar haar raam toe en zag meneer Beer over zijn tuinpad lopen. Ze opende haar raam en wenste hem een goedemorgen.
"Goedemorgen, meneer Beer."
"Goedemorgen, mevrouw Konijn. Wat ziet u er vermoeid uit."
"Dat kan kloppen, meneer Beer. Ik heb namelijk een zeer aparte droom gehad, maar dat vertel ik u nog wel als u die appeltaart eindelijk eens op komt eten."
"Dat is goed, mevrouw Konijn, maar nu moet ik weg. Dag mevrouw Konijn."
"Dag meneer Beer."
donderdag 26 mei 2011
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)

0 Bipsjes reageerden:
Een reactie plaatsen